De grote Gatsby
F. Scott Fitzgerald
Hoofdstuk 1
Toen ik jonger en kwetsbaarder was, gaf mijn vader me een raad waarover ik sindsdien steeds weer heb nagedacht.
“Als je de neiging voelt iemand te bekritiseren,” zei hij tegen me, “bedenk dan dat niet alle mensen op deze wereld de voordelen hebben genoten die jij hebt gehad.”
Meer zei hij niet, maar op onze terughoudende manier zijn we altijd ongewoon mededeelzaam tegen elkaar geweest, en ik begreep dat hij veel meer bedoelde. Daardoor ben ik geneigd elk oordeel op te schorten, een gewoonte waardoor veel merkwaardige mensen zich voor me hebben opengesteld en ik ook het slachtoffer ben geworden van heel wat doorgewinterde vervelers. Een abnormale geest ontdekt deze eigenschap al gauw bij een normaal mens en klampt zich eraan vast, en zo kwam het dat ik tijdens mijn studietijd ten onrechte voor politicus werd uitgemaakt, omdat ik de geheime smarten kende van wilde, onbekende mannen. Om de meeste van die ontboezemingen had ik niet gevraagd – vaak heb ik gedaan alsof ik sliep, in gedachten verzonken was of een afwerende luchthartigheid voorgewend, wanneer ik aan een onmiskenbaar teken merkte dat er een intieme onthulling aan de horizon trilde; want de intieme onthullingen van jonge mannen, of althans de bewoordingen waarin ze die uiten, zijn doorgaans plagiaat en worden ontsierd door overduidelijke verzwijgingen. Je oordeel opschorten is een kwestie van oneindige hoop. Ik ben nog altijd een beetje bang iets te missen als ik vergeet dat, zoals mijn vader snobistisch te kennen gaf en ik snobistisch herhaal, het gevoel voor elementair fatsoen bij de geboorte ongelijk wordt verdeeld.
En nu ik zo over mijn verdraagzaamheid heb opgeschept, moet ik erkennen dat er een grens aan is. Gedrag mag zijn grondslag vinden in harde rots of drassig moeras, maar voorbij een zeker punt kan het me niet meer schelen waarop het berust. Toen ik afgelopen herfst uit het Oosten terugkwam, wilde ik dat de wereld in uniform liep en voor eeuwig in een soort morele houding stond; ik wilde geen woeste uitstapjes meer waarbij me het voorrecht werd gegund een blik in het menselijk hart te werpen. Alleen Gatsby, de man naar wie dit boek is genoemd, was van die reactie uitgezonderd – Gatsby, die alles vertegenwoordigde waarvoor ik een ongeveinsde minachting koester. Als persoonlijkheid een ononderbroken reeks geslaagde gebaren is, dan had hij iets schitterends, een verhoogde gevoeligheid voor wat het leven beloofde, alsof hij verwant was aan een van die ingewikkelde apparaten die aardbevingen op tienduizend mijl afstand registreren. Die gevoeligheid had niets te maken met de slappe beïnvloedbaarheid die met de naam “creatief temperament” wordt vereerd – het was een buitengewone gave om te hopen, een romantische ontvankelijkheid die ik bij geen ander mens ooit heb aangetroffen en waarschijnlijk ook nooit meer zal aantreffen. Nee – Gatsby bleek uiteindelijk te deugen; het was wat aan Gatsby vrat, het vuile stof dat in het kielzog van zijn dromen zweefde, waardoor ik tijdelijk alle belangstelling verloor voor de vruchteloze smarten en kortademige vervoeringen van de mens.
Al drie generaties lang behoort mijn familie tot de vooraanstaande, welgestelde mensen van deze stad in het Middenwesten. De Carraways vormen zoiets als een clan, en volgens de familieoverlevering stammen we af van de hertogen van Buccleuch, maar de werkelijke grondlegger van mijn familietak was de broer van mijn grootvader, die hier in eenenvijftig aankwam, een plaatsvervanger naar de Burgeroorlog stuurde en de groothandel in ijzerwaren begon die mijn vader nog altijd drijft.
Ik heb die oudoom nooit gezien, maar ik schijn op hem te lijken – daarbij gaat men vooral af op het nogal ongenaakbare portret dat in vaders kantoor hangt. Ik studeerde in 1915 af in New Haven, precies een kwart eeuw na mijn vader, en nam kort daarna deel aan die verlate Germaanse volksverhuizing die bekendstaat als de Grote Oorlog. De tegenaanval beviel me zo goed dat ik rusteloos terugkwam. Het Middenwesten leek nu niet langer het warme middelpunt van de wereld, maar de rafelrand van het heelal – dus besloot ik naar het Oosten te gaan en de obligatiehandel te leren. Iedereen die ik kende zat in de obligatiehandel, dus ik nam aan dat er nog wel één vrijgezel van kon leven. Al mijn ooms en tantes bespraken het alsof ze een voorbereidende middelbare school voor me moesten uitzoeken, en zeiden ten slotte met zeer ernstige, aarzelende gezichten: “Nou – ja-a.” Vader stemde ermee in me een jaar lang financieel te steunen, en na allerlei vertraging kwam ik in het voorjaar van tweeëntwintig naar het Oosten, voorgoed, dacht ik.
Het praktischste was geweest kamers in de stad te zoeken, maar het was een warm seizoen en ik had net een streek met uitgestrekte gazons en vriendelijke bomen verlaten, dus toen een jongeman op kantoor voorstelde samen een huis te nemen in een forensenplaats, leek me dat een uitstekend idee. Hij vond het huis, een verweerde kartonnen bungalow voor tachtig per maand, maar op het laatste moment stuurde de firma hem naar Washington en trok ik in mijn eentje naar buiten. Ik had een hond – die had ik tenminste een paar dagen, tot hij wegliep – en een oude Dodge en een Finse, die mijn bed opmaakte en het ontbijt klaarmaakte en boven het elektrische fornuis Finse wijsheden tegen zichzelf mompelde.
Een dag of wat was het eenzaam, tot op een ochtend een man die er nog maar korter woonde dan ik me op de weg staande hield.
“Hoe kom ik in het dorp West Egg?” vroeg hij hulpeloos.
Ik wees hem de weg. En toen ik verder liep, was ik niet eenzaam meer. Ik was een gids, een padvinder, een van de eerste kolonisten. Achteloos had hij mij het vrijburgerschap van de buurt verleend.
En zo kreeg ik, met de zonneschijn en de grote uitbarstingen van blad die aan de bomen groeiden, net zoals dingen in versnelde films groeien, weer die vertrouwde overtuiging dat met de zomer het leven opnieuw begon.
Er was bijvoorbeeld zoveel te lezen, en zoveel blakende gezondheid te putten uit de jonge, bezielende lucht. Ik kocht een dozijn boeken over het bankwezen, kredietverlening en beleggingseffecten, en ze stonden in rood en goud op mijn boekenplank als vers geld uit de munt, met de belofte de glanzende geheimen te onthullen die alleen Midas en Morgan en Maecenas kenden. En ik had het verheven voornemen daarnaast nog veel andere boeken te lezen. In mijn studietijd was ik nogal literair geweest – een jaar lang schreef ik een reeks zeer plechtige, voor de hand liggende hoofdartikelen voor de Yale News – en nu zou ik al die dingen weer in mijn leven terugbrengen en opnieuw die meest beperkte van alle specialisten worden, de “veelzijdig ontwikkelde mens”. Dit is niet zomaar een epigram – per slot van rekening krijg je een veel betere kijk op het leven vanuit één enkel raam.
Bij toeval had ik een huis gehuurd in een van de merkwaardigste gemeenschappen van Noord-Amerika. Het lag op dat smalle, roerige eiland dat zich pal ten oosten van New York uitstrekt – en waar zich onder andere natuurlijke merkwaardigheden twee ongewone landformaties bevinden. Op twintig mijl van de stad steken twee reusachtige eieren, identiek van omtrek en slechts gescheiden door wat men uit beleefdheid een baai noemt, uit in het meest getemde zoutwaterbekken van het westelijk halfrond, het grote natte boerenerf van Long Island Sound. Het zijn geen volmaakte ovalen – net als het ei in het verhaal van Columbus zijn ze allebei platgedrukt aan de kant waarop ze rusten – maar hun uiterlijke gelijkenis moet voor de meeuwen die erboven vliegen een bron van voortdurende verbazing zijn. Voor wie geen vleugels heeft, is het interessanter dat ze in alles behalve vorm en omvang van elkaar verschillen.
Ik woonde in West Egg, het – nu ja, het minder mondaine van de twee, al is dat een bijzonder oppervlakkige aanduiding voor het bizarre en bepaald onheilspellende contrast tussen beide. Mijn huis stond op het uiterste puntje van het ei, op maar vijftig yard van de Sound, ingeklemd tussen twee enorme buitenplaatsen die voor twaalf- of vijftienduizend per seizoen werden verhuurd. Die rechts van me was naar elke maatstaf een kolossaal geval – een getrouwe nabootsing van een of ander Hôtel de Ville in Normandië, met aan één kant een toren, gloednieuw onder een dun baardje van jonge klimop, en een marmeren zwembad, en meer dan veertig acre gazon en tuin. Het was Gatsby’s landhuis. Of liever, aangezien ik meneer Gatsby niet kende, was het een landhuis dat werd bewoond door een heer van die naam. Mijn eigen huis was een doorn in het oog, maar wel een kleine, en men had het over het hoofd gezien, zodat ik uitzicht had op het water, gedeeltelijk uitzicht op het gazon van mijn buurman en de troostrijke nabijheid van miljonairs – allemaal voor tachtig dollar per maand.
Aan de overkant van de uit beleefdheid zo genoemde baai schitterden de witte paleizen van het mondaine East Egg langs het water, en de geschiedenis van die zomer begint eigenlijk op de avond dat ik erheen reed om bij Tom Buchanan en zijn vrouw te eten. Daisy en ik waren achterneef en achternicht, met één generatie verschil, en Tom kende ik uit mijn studietijd. En vlak na de oorlog had ik twee dagen bij hen in Chicago doorgebracht.
Haar man was, naast allerlei andere lichamelijke prestaties, een van de krachtigste vleugelspelers geweest die ooit in New Haven American football hadden gespeeld – in zekere zin een nationale figuur, een van die mannen die op hun eenentwintigste op een beperkt gebied zo’n uitzonderlijke hoogte bereiken dat alles daarna naar een anticlimax smaakt. Zijn familie was schatrijk – zelfs tijdens zijn studietijd was zijn kwistigheid met geld hem kwalijk genomen – maar nu had hij Chicago verlaten en was hij naar het Oosten gekomen op een manier die je haast de adem benam: zo had hij een hele stal polopony’s uit Lake Forest laten overkomen. Het was moeilijk te bevatten dat een man van mijn eigen generatie rijk genoeg was om zoiets te doen.
Waarom ze naar het Oosten waren gekomen, weet ik niet. Ze hadden zonder bijzondere reden een jaar in Frankrijk doorgebracht en waren daarna rusteloos van de ene plaats naar de andere getrokken, overal waar mensen polo speelden en samen rijk waren. Deze verhuizing was voorgoed, zei Daisy aan de telefoon, maar ik geloofde het niet – ik kon Daisy niet in het hart kijken, maar ik had het gevoel dat Tom eeuwig zou blijven zwerven, met een vleugje weemoed op zoek naar de dramatische beroering van een onherroepelijk voorbije footballwedstrijd.
En zo kwam het dat ik op een warme, winderige avond naar East Egg reed om twee oude vrienden op te zoeken die ik nauwelijks kende. Hun huis was nog grootser dan ik had verwacht, een vrolijk rood-wit landhuis in georgiaans-koloniale stijl, met uitzicht over de baai. Het gazon begon bij het strand en strekte zich een kwart mijl uit tot aan de voordeur, sprong over zonnewijzers en bakstenen paden en vlammende tuinen heen – om ten slotte, bij het huis aangekomen, in heldere ranken tegen de gevel op te zweven, alsof het door zijn vaart werd meegedragen. De voorgevel werd onderbroken door een rij openslaande glasdeuren, die nu gloeiden van weerkaatst goud en wijd openstonden naar de warme, winderige namiddag, en Tom Buchanan stond in rijkleding met gespreide benen op de voorveranda.
Hij was veranderd sinds zijn jaren in New Haven. Nu was hij een steviggebouwde, stroblonde man van dertig, met een tamelijk harde mond en een hooghartige houding. Twee glanzende, arrogante ogen hadden de heerschappij over zijn gezicht opgeëist en gaven hem de aanblik van iemand die zich voortdurend agressief vooroverboog. Zelfs de verwijfde zwier van zijn rijkleding kon de enorme kracht van dat lichaam niet verbergen – hij leek die glanzende laarzen zo te vullen dat de veters bovenaan strak kwamen te staan, en je kon een hele bundel spieren zien verschuiven wanneer zijn schouder onder zijn dunne jasje bewoog. Het was een lichaam dat een geweldige kracht kon uitoefenen – een wreed lichaam.
Zijn stem, een norse, hese tenor, versterkte de indruk van lichtgeraaktheid die hij maakte. Er klonk een zweem van vaderlijke minachting in door, zelfs tegenover mensen die hij mocht – en in New Haven waren er mannen geweest die hem hartgrondig hadden gehaat.
“Denk nu niet dat mijn oordeel over deze zaken het laatste woord is,” leek hij te zeggen, “alleen omdat ik sterker ben en meer een man dan jij.” We waren lid geweest van hetzelfde genootschap voor laatstejaars, en hoewel we nooit vertrouwelijk waren geworden, had ik altijd de indruk dat hij me wel mocht en graag wilde dat ik hem ook mocht, met een hem eigen harde, uitdagende weemoed.
We praatten een paar minuten op de zonnige veranda.
“Ik zit hier mooi,” zei hij, terwijl zijn ogen rusteloos heen en weer schoten.
Hij draaide me aan één arm om en streek met een brede, platte hand langs het uitzicht voor het huis, waarbij hij in één beweging een verdiept aangelegde Italiaanse tuin aanwees, een halve acre weelderige, sterk geurende rozen en een motorboot met stompe boeg die een eindje uit de kust op het getij deinde.
“Het was van Demaine, de olieman.” Hij draaide me weer om, beleefd en abrupt. “We gaan naar binnen.”
Door een hoge hal liepen we een lichte, rozerode ruimte binnen, die aan weerszijden door openslaande glasdeuren op breekbare wijze met het huis verbonden was. De deuren stonden op een kier en glansden wit tegen het frisse gras buiten, dat een eindje het huis in leek te groeien. Een bries woei door de kamer, blies de gordijnen aan het ene uiteinde naar binnen en aan het andere naar buiten als bleke vlaggen, liet ze opdraaien naar de geglazuurde bruidstaart van het plafond en rimpelde vervolgens over het wijnkleurige tapijt, waarop hij een schaduw wierp zoals wind op zee.
Het enige volkomen onbeweeglijke voorwerp in de kamer was een enorme bank waarop twee jonge vrouwen werden hooggehouden als op een verankerde ballon. Ze waren allebei in het wit en hun jurken golfden en fladderden alsof ze net na een korte vlucht om het huis weer naar binnen waren geblazen. Ik moet daar een paar ogenblikken hebben gestaan, luisterend naar het zwiepen en klappen van de gordijnen en het gekreun van een schilderij aan de muur. Toen klonk er een dreun doordat Tom Buchanan de achterste glasdeuren sloot, en de gevangen wind stierf weg in de kamer, en de gordijnen en de tapijten en de twee jonge vrouwen daalden langzaam als ballonnen naar de vloer.
De jongste van de twee kende ik niet. Ze lag aan haar kant van de divan languit uitgestrekt, volkomen bewegingloos, met haar kin een beetje geheven, alsof ze daarop iets in evenwicht hield dat er heel goed af kon vallen. Als ze me vanuit haar ooghoeken zag, liet ze er niets van merken – ik was zelfs zo overdonderd dat ik bijna mompelde dat het me speet haar met mijn binnenkomst te hebben gestoord.
Het andere meisje, Daisy, deed een poging op te staan – ze boog met een gewetensvolle uitdrukking iets naar voren – en lachte toen, een dwaas, bekoorlijk lachje, en ik lachte ook en kwam verder de kamer in.
“Ik ben v-verlamd van geluk.”
Ze lachte opnieuw, alsof ze iets heel geestigs had gezegd, en hield even mijn hand vast, terwijl ze naar mijn gezicht opkeek en me beloofde dat er niemand ter wereld was die ze zo graag wilde zien. Dat was een manier van haar. Ze gaf me fluisterend te verstaan dat het meisje dat iets in evenwicht hield Baker heette. (Ik heb weleens horen zeggen dat Daisy alleen maar fluisterde om mensen naar zich toe te laten buigen; een niet ter zake doende kritiek die het niet minder bekoorlijk maakte.)
Hoe dan ook, de lippen van juffrouw Baker bewogen even, ze knikte me bijna onmerkbaar toe en kantelde toen snel haar hoofd weer achterover – het voorwerp dat ze in evenwicht hield had kennelijk een beetje gewankeld en haar nogal laten schrikken. Opnieuw kwam er iets van een verontschuldiging op mijn lippen. Bijna elk vertoon van volkomen zelfgenoegzaamheid dwingt me een verbijsterde hulde af.
Ik keek weer naar mijn nicht, die me vragen begon te stellen met haar lage, meeslepende stem. Het was zo’n stem waarvan het oor de stijgingen en dalingen volgt, alsof elke uitspraak een samenspel van noten is dat nooit meer zal worden uitgevoerd. Haar gezicht was droevig en lieflijk, met heldere dingen erin, heldere ogen en een heldere, hartstochtelijke mond, maar in haar stem lag een opwinding die mannen die om haar hadden gegeven moeilijk konden vergeten: een zangerige dwang, een gefluisterd “Luister”, een belofte dat ze nog maar kort geleden vrolijke, opwindende dingen had gedaan en dat er in het komende uur vrolijke, opwindende dingen zweefden.
Ik vertelde haar dat ik onderweg naar het Oosten een dag in Chicago was gestopt en dat een stuk of twaalf mensen me hartelijke groeten voor haar hadden meegegeven.
“Missen ze me?” riep ze verrukt.
“De hele stad is troosteloos. Bij alle auto’s is het linkerachterwiel zwart geverfd als een rouwkrans, en langs de noordoever klinkt de hele nacht een aanhoudend gejammer.”
“Wat schitterend! Laten we teruggaan, Tom. Morgen!” Toen voegde ze er zonder enig verband aan toe: “Je moet de kleine zien.”
“Dat zou ik graag willen.”
“Ze slaapt. Ze is drie jaar. Heb je haar nog nooit gezien?”
“Nooit.”
“Nou, je moet haar zien. Ze is –”
Tom Buchanan, die rusteloos door de kamer had gedwaald, bleef staan en legde zijn hand op mijn schouder.
“Wat doe je, Nick?”
“Ik zit in de obligaties.”
“Bij wie?”
Ik vertelde het hem.
“Nooit van gehoord,” merkte hij beslist op.
Dat ergerde me.
“Dat komt nog wel,” antwoordde ik kortaf. “Als je in het Oosten blijft, komt dat nog wel.”
“O, ik blijf wel in het Oosten, maak je daar maar geen zorgen over,” zei hij, met een blik op Daisy en daarna weer op mij, alsof hij op iets meer bedacht was. “Ik zou een godverdomde idioot zijn als ik ergens anders ging wonen.”
Op dat moment zei juffrouw Baker: “Absoluut!” Zo plotseling dat ik opschrok – het was het eerste woord dat ze uitbracht sinds ik de kamer was binnengekomen. Blijkbaar verraste het haar evenzeer als mij, want ze gaapte en stond met een reeks snelle, behendige bewegingen op.
“Ik ben stijf,” klaagde ze. “Ik lig al op die bank zolang ik me kan herinneren.”
“Kijk mij niet aan,” kaatste Daisy terug. “Ik probeer je al de hele middag mee naar New York te krijgen.”
“Nee, dank je,” zei juffrouw Baker tegen de vier cocktails die net uit de dienkamer waren gekomen. “Ik ben beslist in training.”
Haar gastheer keek haar ongelovig aan.
“Jij!” Hij sloeg zijn drankje achterover alsof het een druppel onder in een glas was. “Hoe jij ooit iets voor elkaar krijgt, is me een raadsel.”
Ik keek naar juffrouw Baker en vroeg me af wat ze dan wel “voor elkaar kreeg”. Ik keek graag naar haar. Ze was een slank meisje met kleine borsten en een rechte houding, die ze benadrukte door haar bovenlichaam bij de schouders achterover te houden als een jonge cadet. Uit een bleek, bekoorlijk, ontevreden gezicht keken haar grijze, door de zon vermoeide ogen me met dezelfde beleefde nieuwsgierigheid aan. Nu bedacht ik dat ik haar, of een foto van haar, ergens eerder had gezien.
“Je woont in West Egg,” merkte ze minachtend op. “Ik ken daar iemand.”
“Ik ken er geen enkele –”
“Gatsby moet je toch kennen.”
“Gatsby?” vroeg Daisy dwingend. “Welke Gatsby?”
Voor ik kon antwoorden dat hij mijn buurman was, werd aangekondigd dat het eten klaarstond; Tom Buchanan klemde zijn gespannen arm gebiedend onder de mijne en dwong me de kamer uit, alsof hij een damsteen naar een ander vak schoof.
Slank en loom, met hun handen licht op hun heupen, gingen de twee jonge vrouwen ons voor naar een rozerode veranda, open naar de ondergaande zon, waar in de afgenomen wind vier kaarsen op tafel flakkerden.
“Waarom kaarsen?” wierp Daisy fronsend tegen. Ze kneep ze met haar vingers uit. “Over twee weken is het de langste dag van het jaar.” Stralend keek ze ons allemaal aan. “Kijken jullie ook altijd uit naar de langste dag van het jaar om hem dan toch te missen? Ik kijk altijd uit naar de langste dag van het jaar en dan mis ik hem toch.”
“We moeten iets afspreken,” gaapte juffrouw Baker, terwijl ze aan tafel ging zitten alsof ze in bed stapte.
“Goed,” zei Daisy. “Wat zullen we afspreken?” Hulpeloos wendde ze zich tot mij: “Wat spreken mensen zoal af?”
Voordat ik kon antwoorden, bleef haar blik met een ontzette uitdrukking op haar pink rusten.
“Kijk!” klaagde ze. “Ik heb hem bezeerd.”
We keken allemaal – de knokkel was bont en blauw.
“Dat heb jij gedaan, Tom,” zei ze verwijtend. “Ik weet dat je het niet expres deed, maar je hebt het wel gedaan. Dat krijg ik ervan als ik met zo’n brute kerel trouw, zo’n enorme, lompe kolos van een –”
“Ik heb een hekel aan dat woord ‘kolos’,” viel Tom kribbig in, “ook als grap.”
“Kolos,” hield Daisy vol.
Soms praatten zij en juffrouw Baker tegelijk, onopvallend en met een schertsende onsamenhangendheid die nooit helemaal gekwebbel werd, die even koel was als hun witte jurken en hun onpersoonlijke ogen, zonder enig verlangen. Ze waren hier en ze aanvaardden Tom en mij, waarbij ze zich alleen beleefd en vriendelijk inspanden om ons te onderhouden of zich te laten onderhouden. Ze wisten dat het eten straks voorbij zou zijn en iets later ook de avond, die dan achteloos zou worden opgeborgen. Dat verschilde sterk van het Westen, waar een avond van de ene fase naar de andere naar zijn einde werd gejaagd, in een telkens weer teleurgestelde verwachting of anders uit louter nerveuze angst voor het ogenblik zelf.
“Door jou voel ik me onbeschaafd, Daisy,” bekende ik bij mijn tweede glas bordeaux, die naar kurk smaakte maar toch indruk maakte. “Kun je het niet over de oogst hebben of zo?”
Ik bedoelde niets bijzonders met die opmerking, maar er werd op een onverwachte manier op ingegaan.
“De beschaving gaat naar de knoppen,” barstte Tom heftig los. “Ik ben verschrikkelijk pessimistisch geworden over de toestand. Heb je De opkomst van de gekleurde wereldrijken gelezen, van die Goddard?”
“Nee,” antwoordde ik, nogal verbaasd over zijn toon.
“Nou, het is een goed boek en iedereen zou het moeten lezen. Het idee is dat het blanke ras, als we niet oppassen, zal worden – volkomen zal worden overspoeld. Het is allemaal wetenschappelijk; het is bewezen.”
“Tom wordt heel diepzinnig,” zei Daisy met een uitdrukking van onnadenkende droefheid. “Hij leest diepgravende boeken met lange woorden erin. Wat was dat voor woord dat we –”
“Nou, die boeken zijn allemaal wetenschappelijk,” hield Tom vol, met een ongeduldige blik op haar. “Die kerel heeft het helemaal uitgewerkt. Wij, als het overheersende ras, moeten oppassen, anders krijgen die andere rassen het voor het zeggen.”
“We moeten ze eronder houden,” fluisterde Daisy, terwijl ze heftig tegen de vurige zon knipoogde.
“Je zou in Californië moeten wonen –” begon juffrouw Baker, maar Tom onderbrak haar door zich zwaar in zijn stoel te verplaatsen.
“Volgens die theorie behoren we tot het Noordse ras. Ik, en jij, en jij, en –” Na een onmetelijk korte aarzeling betrok hij Daisy erbij met een licht knikje, en ze knipoogde weer naar me. “– En wij hebben alles voortgebracht waaruit de beschaving bestaat – nou ja, wetenschap en kunst en zo. Begrijp je?”
Er zat iets deerniswekkends in zijn geconcentreerdheid, alsof zijn zelfgenoegzaamheid, nog sterker dan vroeger, hem niet langer volstond. Toen vrijwel meteen daarop binnen de telefoon ging en de butler de veranda verliet, greep Daisy die korte onderbreking aan en boog zich naar me toe.
“Ik zal je een familiegeheim vertellen,” fluisterde ze enthousiast. “Het gaat over de neus van de butler. Wil je over de neus van de butler horen?”
“Daar ben ik vanavond voor gekomen.”
“Nou, hij is niet altijd butler geweest; vroeger poetste hij het zilver bij mensen in New York die een zilveren servies voor tweehonderd personen hadden. Hij moest het van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat poetsen, tot zijn neus er uiteindelijk onder begon te lijden –”
“Het ging van kwaad tot erger,” opperde juffrouw Baker.
“Ja. Het ging van kwaad tot erger, tot hij ten slotte zijn betrekking moest opgeven.”
Even viel het laatste zonlicht met romantische tederheid op haar gloeiende gezicht; terwijl ik luisterde, dwong haar stem me ademloos naar voren – toen vervaagde de gloed en verliet elk lichtje haar met talmende spijt, als kinderen die in de schemering een gezellige straat verlaten.
De butler kwam terug en mompelde iets vlak bij Toms oor, waarop Tom fronste, zijn stoel achteruitschoof en zonder een woord naar binnen ging. Alsof zijn afwezigheid iets in haar tot leven wekte, boog Daisy zich weer naar voren, met een stem die gloeide en zong.
“Ik vind het heerlijk je aan mijn tafel te zien, Nick. Je doet me denken aan een – aan een roos, een volmaakte roos. Vind je niet?” Ze wendde zich tot juffrouw Baker om bevestiging: “Een volmaakte roos?”
Dat was niet waar. Ik lijk in de verste verte niet op een roos. Ze improviseerde maar wat, maar er ging een warmte van haar uit die me beroerde, alsof haar hart naar je toe probeerde te komen, verborgen in een van die ademloze, meeslepende woorden. Toen gooide ze plotseling haar servet op tafel, verontschuldigde zich en ging het huis in.
Juffrouw Baker en ik wisselden een korte blik die we opzettelijk zonder betekenis hielden. Ik wilde net iets zeggen toen ze alert rechtop ging zitten en waarschuwend “Sst!” zei. In de aangrenzende kamer klonk gedempt, hartstochtelijk gemurmel en juffrouw Baker boog zich ongegeneerd naar voren om te luisteren. Het gemurmel trilde op de grens van verstaanbaarheid, zakte weg, zwol opgewonden aan en hield toen helemaal op.
“Die meneer Gatsby over wie je het had, is mijn buurman –” begon ik.
“Stil. Ik wil horen wat er gebeurt.”
“Gebeurt er iets?” vroeg ik onschuldig.
“Wil je zeggen dat je het niet weet?” zei juffrouw Baker, oprecht verbaasd. “Ik dacht dat iedereen het wist.”
“Ik niet.”
“Nou –” zei ze aarzelend. “Tom heeft een of andere vrouw in New York.”
“Een of andere vrouw?” herhaalde ik wezenloos.
Juffrouw Baker knikte.
“Ze mocht wel het fatsoen hebben hem niet onder het eten op te bellen. Vind je niet?”
Bijna voordat haar woorden tot me waren doorgedrongen, klonk er geritsel van een jurk en gekraak van leren laarzen, en Tom en Daisy waren terug aan tafel.
“Er was niets aan te doen!” riep Daisy met gespannen vrolijkheid.
Ze ging zitten, keek juffrouw Baker vorsend aan en daarna mij, en vervolgde: “Ik heb even naar buiten gekeken, en buiten is het heel romantisch. Er zit een vogel op het gazon die volgens mij een nachtegaal moet zijn, overgekomen met de Cunard of White Star Line. Hij zit maar te zingen –” Haar stem zong: “Het is romantisch, hè, Tom?”
“Heel romantisch,” zei hij, en toen bedrukt tegen mij: “Als het na het eten nog licht genoeg is, wil ik je meenemen naar de stallen.”
Binnen rinkelde de telefoon zo plotseling dat we opschrokken, en toen Daisy beslist haar hoofd schudde tegen Tom, verdween het onderwerp van de stallen, eigenlijk elk onderwerp, in het niets. Tussen de brokstukken van de laatste vijf minuten aan tafel herinner ik me dat de kaarsen weer werden aangestoken, zinloos, en ik was me ervan bewust dat ik iedereen recht wilde aankijken en toch alle ogen wilde ontwijken. Ik kon niet raden wat Daisy en Tom dachten, maar ik betwijfel of zelfs juffrouw Baker, die zich een zekere taaie scepsis eigen leek te hebben gemaakt, het schrille, metalen aandringen van deze vijfde gast helemaal uit haar gedachten kon zetten. Iemand met een bepaald temperament zou de situatie misschien intrigerend hebben gevonden – mijn eigen instinct was onmiddellijk de politie te bellen.
De paarden werden vanzelfsprekend niet meer genoemd. Tom en juffrouw Baker wandelden met enkele voet schemering tussen hen in terug naar de bibliotheek, alsof ze gingen waken bij een volkomen tastbaar lichaam, terwijl ik Daisy langs een reeks aaneengesloten veranda’s naar de veranda aan de voorkant volgde en mijn best deed vriendelijk geïnteresseerd en een beetje doof te lijken. In het diepe donker daar gingen we naast elkaar op een rieten bankje zitten.
Daisy nam haar gezicht in haar handen alsof ze de lieflijke vorm ervan betastte, en haar ogen dwaalden langzaam de fluwelen schemering in. Ik zag dat heftige emoties haar beheersten, dus stelde ik een paar vragen over haar dochtertje waarvan ik hoopte dat ze haar wat zouden kalmeren.
“We kennen elkaar niet erg goed, Nick,” zei ze plotseling. “Ook al zijn we familie. Je bent niet op mijn bruiloft gekomen.”
“Ik was nog niet terug van de oorlog.”
“Dat is waar.” Ze aarzelde. “Nou, ik heb het heel naar gehad, Nick, en ik ben nogal cynisch over alles.”
Blijkbaar had ze daar reden toe. Ik wachtte, maar ze zei niets meer, en na een ogenblik kwam ik nogal zwakjes op haar dochter terug.
“Ik neem aan dat ze praat, en – eet, en zo.”
“O ja.” Ze keek me verstrooid aan. “Luister, Nick; laat me vertellen wat ik zei toen ze geboren werd. Wil je dat horen?”
“Heel graag.”
“Dan begrijp je hoe ik over – de dingen ben gaan denken. Nou, ze was nog geen uur oud en Tom was god weet waar. Ik kwam uit de etherverdoving bij met een gevoel van volkomen verlatenheid en vroeg de verpleegster meteen of het een jongen of een meisje was. Ze zei dat het een meisje was, dus draaide ik mijn hoofd weg en huilde. ‘Goed,’ zei ik, ‘ik ben blij dat het een meisje is. En ik hoop dat ze een dwaasje wordt – dat is het beste wat een meisje in deze wereld kan zijn, een mooi klein dwaasje.’
“Zie je, ik vind alles toch al verschrikkelijk,” ging ze overtuigd verder. “Dat vindt iedereen – de vooruitstrevendste mensen. En ik weet het. Ik ben overal geweest en heb alles gezien en alles gedaan.” Haar ogen schoten uitdagend om zich heen, nogal zoals die van Tom, en ze lachte met een meeslepende hoon. “Wereldwijs – god, wat ben ik wereldwijs!”
Zodra haar stem afbrak en niet langer mijn aandacht en geloof afdwong, voelde ik de wezenlijke onoprechtheid van wat ze had gezegd. Het maakte me onbehaaglijk, alsof de hele avond een of andere list was geweest om me een gevoelsbijdrage af te persen. Ik wachtte, en inderdaad, even later keek ze me aan met een onvervalst zelfgenoegzaam glimlachje op haar mooie gezicht, alsof ze haar lidmaatschap had doen gelden van een nogal voornaam geheim genootschap waartoe zij en Tom behoorden.
Binnen bloeide de karmozijnrode kamer van het licht. Tom en juffrouw Baker zaten elk aan een uiteinde van de lange bank en zij las hem voor uit de Saturday Evening Post – de woorden, murmelend en zonder intonatie, vloeiden samen tot een kalmerende melodie. Het lamplicht, helder op zijn laarzen en dof op het herfstbladgeel van haar haar, gleed glanzend over het papier toen ze een bladzijde omsloeg, waarbij slanke spieren in haar armen even trilden.
Toen we binnenkwamen, hield ze ons met een opgeheven hand nog even stil.
“Wordt vervolgd,” zei ze, terwijl ze het tijdschrift op tafel gooide, “in ons eerstvolgende nummer.”
Haar lichaam liet zich gelden in een onrustige beweging van haar knie, en ze stond op.
“Tien uur,” merkte ze op, waarbij ze de tijd kennelijk op het plafond aflas. “Tijd voor dit brave meisje om naar bed te gaan.”
“Jordan speelt morgen in het toernooi,” legde Daisy uit, “in Westchester.”
“O – jij bent Jordan Baker.”
Nu wist ik waarom haar gezicht me bekend voorkwam – die aangenaam minachtende uitdrukking had me aangekeken op veel diepdrukfoto’s van het sportleven in Asheville en Hot Springs en Palm Beach. Ik had ook een verhaal over haar gehoord, een afkeurend, onaangenaam verhaal, maar wat het was had ik allang vergeten.
“Welterusten,” zei ze zacht. “Maak je me om acht uur wakker?”
“Als je dan opstaat.”
“Dat doe ik. Welterusten, meneer Carraway. Tot weldra.”
“Natuurlijk,” bevestigde Daisy. “Ik denk zelfs dat ik een huwelijk ga regelen. Kom vaak langs, Nick, dan zal ik jullie zo’n beetje – o – naar elkaar toe duwen. Je weet wel – jullie per ongeluk in linnenkasten opsluiten en jullie samen in een bootje de zee op duwen, en dat soort dingen –”
“Welterusten,” riep juffrouw Baker vanaf de trap. “Ik heb geen woord gehoord.”
“Het is een aardig meisje,” zei Tom na een ogenblik. “Ze moesten haar niet zo door het land laten rondzwerven.”
“Wie moesten dat niet?” vroeg Daisy koel.
“Haar familie.”
“Haar familie bestaat uit één tante van een jaar of duizend. Bovendien gaat Nick op haar passen, hè, Nick? Ze komt deze zomer heel wat weekeinden hier doorbrengen. Ik denk dat de huiselijke invloed haar heel goed zal doen.”
Daisy en Tom keken elkaar even zwijgend aan.
“Komt ze uit New York?” vroeg ik snel.
“Uit Louisville. We hebben daar samen onze blanke meisjesjaren doorgebracht. Onze mooie blanke –”
“Heb je op de veranda even een vertrouwelijk gesprek met Nick gehad?” vroeg Tom plotseling op eisende toon.
“Heb ik dat?” Ze keek me aan. “Ik kan het me niet goed herinneren, maar volgens mij hadden we het over het Noordse ras. Ja, dat weet ik zeker. Het besloop ons zo’n beetje en voor je het weet –”
“Geloof niet alles wat je hoort, Nick,” raadde hij me aan.
Ik zei luchtig dat ik helemaal niets had gehoord, en een paar minuten later stond ik op om naar huis te gaan. Ze liepen met me mee naar de deur en bleven naast elkaar in een vrolijk vierkant van licht staan. Toen ik mijn motor startte, riep Daisy gebiedend: “Wacht!”
“Ik ben je iets vergeten te vragen, en het is belangrijk. We hebben gehoord dat je verloofd bent met een meisje uit het Westen.”
“Dat klopt,” bevestigde Tom vriendelijk. “We hebben gehoord dat je verloofd bent.”
“Dat is laster. Ik ben te arm.”
“Maar we hebben het gehoord,” hield Daisy vol, en ze verraste me door zich opnieuw als een bloem te openen. “We hebben het van drie mensen gehoord, dus het moet wel waar zijn.”
Natuurlijk wist ik waarop ze doelden, maar ik was in de verste verte niet verloofd. Dat de achterklap onze ondertrouw al had afgekondigd, was een van de redenen waarom ik naar het Oosten was gekomen. Je kunt niet vanwege geruchten de omgang met een oude vriendin verbreken, en aan de andere kant was ik niet van plan me door geroddel een huwelijk in te laten drijven.
Hun belangstelling raakte me wel en deed hen in hun rijkdom minder ver weg lijken – toch was ik verward en een beetje walgend toen ik wegreed. Het leek me dat Daisy het huis uit moest stormen, haar kind in de armen – maar blijkbaar had ze zulke voornemens niet. Wat Tom betrof, het feit dat hij “een of andere vrouw in New York had” was eigenlijk minder verrassend dan dat een boek hem neerslachtig had gemaakt. Iets bracht hem ertoe aan de randjes van oudbakken denkbeelden te knabbelen, alsof zijn robuuste lichamelijke zelfingenomenheid zijn heerszuchtige hart niet langer voedde.
Het was al volop zomer op de daken van uitspanningen en voor garages langs de weg, waar nieuwe rode benzinepompen in poelen van licht stonden, en toen ik mijn landgoed in West Egg bereikte, reed ik de auto onder zijn afdak en ging een poosje op een achtergelaten gazonwals op het erf zitten. De wind was gaan liggen en had een luidruchtige, heldere nacht achtergelaten, met vleugelgeklap in de bomen en een aanhoudende orgeltoon, nu de volle blaasbalg van de aarde de kikkers vol leven blies. Het silhouet van een bewegende kat golfde door het maanlicht, en toen ik mijn hoofd draaide om ernaar te kijken, zag ik dat ik niet alleen was – op vijftig voet afstand was een gestalte uit de schaduw van het landhuis van mijn buurman tevoorschijn gekomen, die met zijn handen in zijn zakken naar de zilveren peper van de sterren stond te kijken. Iets in zijn ontspannen bewegingen en de vaste stand van zijn voeten op het gazon deed vermoeden dat het meneer Gatsby zelf was, naar buiten gekomen om vast te stellen welk deel van onze plaatselijke hemel hem toekwam.
Ik besloot hem toe te roepen. Juffrouw Baker had hem tijdens het eten genoemd, en dat kon als introductie dienen. Maar ik riep hem niet toe, want plotseling gaf hij een teken dat hij tevreden was met zijn alleen-zijn – hij strekte op een merkwaardige manier zijn armen uit naar het donkere water, en al stond ik ver van hem af, ik had kunnen zweren dat hij beefde. Onwillekeurig keek ik naar zee – en zag niets dan één enkel groen licht, nietig en ver weg, dat misschien aan het uiteinde van een steiger brandde. Toen ik weer naar Gatsby keek, was hij verdwenen en was ik opnieuw alleen in de onrustige duisternis.




