Alice in Wonderland
Lewis Carroll
Hoofdstuk 1: Het konijnenhol in
Alice begon er meer dan genoeg van te krijgen om naast haar zus op de oever te zitten en niets te doen te hebben: een- of tweemaal had ze in het boek gekeken dat haar zus zat te lezen, maar er stonden geen plaatjes of gesprekken in; “en wat heb je aan een boek,” dacht Alice, “zonder plaatjes of gesprekken?”
Ze vroeg zich dus af (zo goed als ze kon, want de hitte maakte haar erg slaperig en suf) of het plezier van het maken van een madeliefjesketting wel opwoog tegen de moeite van opstaan en madeliefjes plukken, toen er plotseling een Wit Konijn met roze ogen vlak langs haar heen rende.
Daar was niets zo heel bijzonders aan; en Alice vond het ook niet zo heel vreemd dat ze het Konijn tegen zichzelf hoorde zeggen: “O jee! O jee! Ik kom te laat!” (toen ze er later over nadacht, besefte ze dat ze zich hierover had moeten verbazen, maar op dat moment leek het allemaal heel gewoon); maar toen het Konijn zowaar een horloge uit zijn vestzak haalde, ernaar keek en daarna haastig verderging, sprong Alice overeind, want het schoot haar te binnen dat ze nog nooit een konijn had gezien met een vestzak of een horloge om daaruit te halen, en brandend van nieuwsgierigheid rende ze hem over het veld achterna, en gelukkig was ze nog net op tijd om hem in een groot konijnenhol onder de heg te zien duiken.
Een ogenblik later ging Alice hem achterna naar beneden, zonder zich ook maar één keer af te vragen hoe ze er in vredesnaam weer uit moest komen.
Het konijnenhol liep een eind rechtdoor, als een tunnel, en boog toen plotseling naar beneden af, zo plotseling dat Alice al in een heel diepe put viel voordat ze er ook maar aan had kunnen denken om te stoppen.
Of de put was heel diep, of ze viel heel langzaam, want onder het vallen had ze alle tijd om om zich heen te kijken en zich af te vragen wat er nu zou gebeuren. Eerst probeerde ze omlaag te kijken om te zien waar ze terecht zou komen, maar het was te donker om iets te zien; toen keek ze naar de wanden van de put en zag dat die vol kasten en boekenplanken zaten; hier en daar zag ze landkaarten en prenten aan pinnen hangen. Terwijl ze voorbijviel, pakte ze een pot van een van de planken; op het etiket stond “Sinaasappelmarmelade”, maar tot haar grote teleurstelling was hij leeg: ze wilde de pot niet laten vallen, uit angst er iemand mee te doden, en wist hem daarom in een van de kasten te zetten terwijl ze erlangs viel.
“Nou!” dacht Alice bij zichzelf, “na zo’n val zal van de trap vallen niets meer voorstellen! Wat zullen ze me thuis allemaal dapper vinden! Ik zou er geen woord over zeggen, zelfs niet als ik van het dak viel!” (Wat zeer waarschijnlijk waar was.)
Omlaag, omlaag, omlaag. Zou er dan nooit een eind komen aan die val! “Hoeveel mijl zou ik nu al gevallen zijn?” zei ze hardop. “Ik moet nu zo langzamerhand in de buurt van het middelpunt van de aarde komen. Even denken: dat zou vierduizend mijl diep zijn, geloof ik –” (want Alice had, moet je weten, een aantal van zulke dingen geleerd tijdens de lessen in de schoolkamer, en hoewel dit geen erg goede gelegenheid was om met haar kennis te pronken, omdat er niemand was om naar haar te luisteren, was het toch een goede oefening om het nog eens op te zeggen) “– ja, dat is ongeveer de juiste afstand – maar op welke Breedtegraad of Lengtegraad ben ik dan nu?” (Alice had geen idee wat Breedtegraad of Lengtegraad betekende, maar het leken haar mooie, deftige woorden om uit te spreken.)
Even later begon ze weer. “Zou ik helemaal door de aarde heen vallen! Wat zal het gek zijn om terecht te komen tussen de mensen die met hun hoofd naar beneden lopen! De Antipathieën, geloof ik –” (ditmaal was ze nogal blij dat er niemand was om naar haar te luisteren, want het klonk helemaal niet als het juiste woord) “– maar dan zal ik hun moeten vragen hoe het land heet, weet je. Neemt u me niet kwalijk, mevrouw, is dit Nieuw-Zeeland of Australië?” (en terwijl ze dat zei, probeerde ze een kniks te maken – stel je voor dat je een kniks maakt terwijl je door de lucht valt! Denk je dat jou dat zou lukken?) “En wat zal ze me een onwetend klein meisje vinden als ik dat vraag! Nee, dat kan ik beslist niet vragen: misschien zie ik het ergens staan.”
Omlaag, omlaag, omlaag. Er was niets anders te doen, dus begon Alice al gauw weer te praten. “Dinah zal me vanavond erg missen, denk ik!” (Dinah was de kat.) “Ik hoop dat ze bij de thee aan haar schoteltje melk denken. Dinah, lieverd! Was je maar hier beneden bij me! Muizen zijn er niet in de lucht, vrees ik, maar je zou wel een vleermuis kunnen vangen, en die lijkt heel erg op een muis, weet je. Maar zouden katten vleermuizen eten?” Nu werd Alice nogal slaperig en bleef ze dromerig tegen zichzelf zeggen: “Eten katten vleermuizen? Eten katten vleermuizen?” en soms: “Eten vleermuizen katten?” want, zie je, ze kon geen van beide vragen beantwoorden, dus maakte het niet veel uit hoe ze het vroeg. Ze voelde dat ze in slaap sukkelde en was net begonnen te dromen dat ze hand in hand met Dinah wandelde en heel ernstig tegen haar zei: “Nou, Dinah, vertel me de waarheid: heb je ooit een vleermuis gegeten?” toen ze plotseling – bons! bons! – neerkwam op een hoop takken en droge bladeren, en de val voorbij was.
Alice had zich helemaal niet bezeerd en sprong in een oogwenk overeind: ze keek omhoog, maar boven haar was het helemaal donker; voor haar lag nog een lange gang, en het Witte Konijn was nog te zien, terwijl hij zich erdoorheen haastte. Er was geen ogenblik te verliezen: als de wind vloog Alice achter hem aan en ze was nog net op tijd om hem bij het omslaan van een hoek te horen zeggen: “O, mijn oren en snorharen, wat wordt het laat!” Ze zat hem vlak op de hielen toen ze de hoek omsloeg, maar het Konijn was niet meer te zien: ze bevond zich in een lange, lage hal, verlicht door een rij lampen die aan het plafond hingen.
Aan alle kanten van de hal zaten deuren, maar ze waren allemaal op slot; en toen Alice langs de ene kant helemaal heen en langs de andere kant weer terug was gelopen en elke deur had geprobeerd, liep ze bedroefd midden door de hal en vroeg zich af hoe ze er ooit weer uit moest komen.
Plotseling stuitte ze op een klein tafeltje op drie poten, helemaal van massief glas; er lag niets op behalve een piepkleine gouden sleutel, en Alice dacht allereerst dat hij misschien bij een van de deuren van de hal hoorde; maar helaas! Of de sloten waren te groot, of de sleutel was te klein, maar hoe dan ook ging er geen enkele deur mee open. Toen ze echter voor de tweede keer rondliep, ontdekte ze een laag gordijn dat ze nog niet eerder had opgemerkt, en daarachter zat een deurtje van ongeveer vijftien duim hoog: ze probeerde de kleine gouden sleutel in het slot, en tot haar grote vreugde paste hij!
Alice deed de deur open en zag dat die uitkwam op een klein gangetje, niet veel groter dan een rattenhol: ze knielde neer en keek door het gangetje naar de mooiste tuin die je ooit hebt gezien. Wat verlangde ze ernaar om uit die donkere hal te komen en rond te dwalen tussen die perken met felgekleurde bloemen en die koele fonteinen, maar zelfs haar hoofd paste niet door de deuropening; “en al zou mijn hoofd er wel doorheen kunnen,” dacht de arme Alice, “dan had ik er zonder mijn schouders heel weinig aan. O, kon ik me maar in elkaar schuiven als een telescoop! Ik denk dat ik het zou kunnen, als ik maar wist hoe ik moest beginnen.” Want er waren de laatste tijd, moet je weten, zoveel ongewone dingen gebeurd dat Alice was gaan denken dat er maar heel weinig dingen werkelijk onmogelijk waren.
Wachten bij het deurtje leek nergens toe te dienen, dus ging ze terug naar de tafel, in de vage hoop dat ze er nog een sleutel op zou vinden, of in elk geval een boek met regels om mensen in elkaar te schuiven als telescopen: ditmaal vond ze er een flesje op (“Dat stond hier daarnet beslist nog niet,” zei Alice), en om de hals van het flesje zat een papieren etiket, waarop in grote letters heel mooi de woorden “Drink mij” gedrukt stonden.
Het was allemaal goed en wel om “Drink mij” te zeggen, maar de verstandige kleine Alice was niet van plan dat zomaar te doen. “Nee, ik kijk eerst,” zei ze, “of er ‘vergif’ op staat of niet”; want ze had verscheidene aardige verhaaltjes gelezen over kinderen die zich hadden verbrand, door wilde dieren waren opgegeten en andere onaangename dingen hadden meegemaakt, allemaal omdat ze de eenvoudige regels die hun vrienden hun hadden geleerd niet wilden onthouden: zoals dat je je brandt aan een roodgloeiende pook als je hem te lang vasthoudt; en dat je vinger meestal bloedt als je er met een mes heel diep in snijdt; en ze was nooit vergeten dat je, als je veel drinkt uit een fles waar “vergif” op staat, er vroeg of laat vrijwel zeker last van krijgt.
Op dit flesje stond echter niet “vergif”, dus waagde Alice het ervan te proeven, en omdat ze het erg lekker vond (het smaakte namelijk naar een soort mengsel van kersentaart, custard, ananas, gebraden kalkoen, toffee en warme toast met boter), dronk ze het al gauw helemaal op.
“Wat een vreemd gevoel!” zei Alice. “Ik schuif vast in elkaar als een telescoop.”
En dat was inderdaad zo: ze was nu nog maar tien duim hoog, en haar gezicht klaarde op bij de gedachte dat ze nu klein genoeg was om door het deurtje die prachtige tuin in te gaan. Maar eerst wachtte ze een paar minuten om te zien of ze nog verder zou krimpen: daar was ze een beetje ongerust over; “want het zou er weleens op kunnen uitlopen, weet je,” zei Alice tegen zichzelf, “dat ik helemaal uitga, net als een kaars. Hoe zou ik er dan uitzien?” En ze probeerde zich voor te stellen hoe de vlam van een kaars eruitziet nadat de kaars is uitgeblazen, want ze kon zich niet herinneren dat ze zoiets ooit had gezien.
Toen ze na een poosje merkte dat er verder niets gebeurde, besloot ze meteen de tuin in te gaan; maar ach, arme Alice! Toen ze bij het deurtje kwam, ontdekte ze dat ze de kleine gouden sleutel vergeten was, en toen ze terugging naar de tafel om hem te halen, merkte ze dat ze er onmogelijk bij kon: ze kon hem door het glas heel duidelijk zien en deed haar uiterste best om langs een van de tafelpoten omhoog te klimmen, maar die was te glad; en toen ze zich met al dat proberen had uitgeput, ging het arme kleintje zitten en huilde.
“Kom, zo huilen heeft toch geen zin!” zei Alice nogal bits tegen zichzelf. “Ik raad je aan er onmiddellijk mee op te houden!” Ze gaf zichzelf meestal heel goede raad (al volgde ze die maar zelden op) en soms sprak ze zichzelf zo streng toe dat de tranen haar in de ogen schoten; en ze herinnerde zich dat ze een keer had geprobeerd zichzelf oorvijgen te geven omdat ze zichzelf had bedrogen bij een spelletje croquet dat ze tegen zichzelf speelde, want dit eigenaardige kind deed heel graag alsof ze twee mensen was. “Maar nu heeft het geen zin,” dacht de arme Alice, “om te doen alsof ik twee mensen ben! Er is toch nauwelijks genoeg van me over om één fatsoenlijk mens van te maken!”
Al gauw viel haar oog op een glazen doosje dat onder de tafel lag: ze deed het open en vond er een piepklein cakeje in, waarop met krenten heel mooi de woorden “Eet mij” waren geschreven. “Nou, ik eet het op,” zei Alice, “en als ik er groter van word, kan ik bij de sleutel; en als ik er kleiner van word, kan ik onder de deur door kruipen; dus hoe dan ook kom ik in de tuin, en het kan me niet schelen welke van de twee het wordt!”
Ze at een klein stukje en zei ongerust tegen zichzelf: “Welke kant op? Welke kant op?” Daarbij hield ze haar hand boven op haar hoofd om te voelen in welke richting het groeide, en ze merkte tot haar grote verbazing dat ze even groot bleef: dat gebeurt natuurlijk meestal als je cake eet, maar Alice was zo gewend geraakt om alleen maar ongewone dingen te verwachten dat ze het maar saai en suf vond als het leven gewoon zijn gang ging.
Dus zette ze zich aan het werk en at ze het cakeje al heel gauw op.




