Naar hoofdinhoud

Lees hoofdstuk 1 gratis. Zonder aanmelden.

Zoek op boek of genre
Winkelmandje

Uw winkelmandje is leeg.

Bekijk alle boeken

Menu openen of sluiten
Omslag van het boek ‘Een kerstvertelling’ van Charles Dickens

Gratis leesfragment

Een kerst­ver­tel­ling

Van Charles Dickens

Klassieker uit het publieke domein van Charles Dickens · Nieuwe vertaling door NovelSpell

Kies uw editie

Een kerst­ver­tel­ling

Charles Dickens

Hoofdstuk 1: De geest van Marley

Om te beginnen was Marley dood. Daar bestaat geen enkele twijfel over. Het begrafenisregister was ondertekend door de geestelijke, de koster, de begrafenisondernemer en de voornaamste rouwdrager. Scrooge had het ondertekend. En op de Beurs was Scrooges naam goed voor alles waarvoor hij maar wilde tekenen. De oude Marley was zo dood als een deurspijker.

Let wel! Ik wil niet beweren dat ik uit eigen wetenschap weet wat er nu zo bijzonder dood is aan een deurspijker. Ikzelf zou geneigd zijn geweest een doodkistspijker voor het doodste stuk ijzer in de handel te houden. Maar in die vergelijking ligt de wijsheid van onze voorouders besloten; mijn ongewijde handen zullen er niet aan tornen, anders is het land verloren. U zult mij daarom toestaan met nadruk te herhalen dat Marley zo dood was als een deurspijker.

Wist Scrooge dat hij dood was? Natuurlijk wist hij dat. Hoe kon het anders? Scrooge en hij waren ik weet niet hoeveel jaar compagnons geweest. Scrooge was zijn enige executeur, zijn enige boedelbeheerder, zijn enige rechtverkrijgende, zijn enige erfgenaam van de resterende nalatenschap, zijn enige vriend en enige rouwdrager. En zelfs Scrooge was door de droevige gebeurtenis niet zo vreselijk ontdaan dat hij zich op de dag van de begrafenis geen uitstekend zakenman kon tonen en die kon opluisteren met een onmiskenbaar voordelige transactie.

Nu ik Marleys begrafenis noem, kom ik terug bij mijn uitgangspunt. Er bestaat geen twijfel over dat Marley dood was. Dat moet goed begrepen worden, anders kan er niets wonderbaarlijks schuilen in het verhaal dat ik ga vertellen. Als wij er niet volkomen van overtuigd waren dat Hamlets vader vóór het begin van het stuk gestorven was, zou er niets opmerkelijkers aan zijn als hij ’s nachts bij oostenwind over zijn eigen vestingwallen wandelde, dan wanneer een willekeurige andere heer van middelbare leeftijd zo onbezonnen was om na het invallen van de duisternis naar een winderige plek te gaan – het kerkhof van de Sint-Pauluskathedraal, bijvoorbeeld – om zijn zwakzinnige zoon letterlijk te verbijsteren.

Scrooge schilderde de naam van de oude Marley nooit weg. Jaren later stond die nog altijd boven de deur van het pakhuis: Scrooge en Marley. De firma stond bekend als Scrooge en Marley. Mensen die voor het eerst zaken met de firma deden, noemden Scrooge soms Scrooge en soms Marley, maar hij luisterde naar beide namen. Het was hem om het even.

O, wat was hij een hardvochtige vrek, die Scrooge! Een knijpende, wringende, graaiende, schrapende, grijpende, hebzuchtige oude zondaar! Hard en scherp als vuursteen waaruit geen staal ooit een vonk van gulheid had geslagen; gesloten en in zichzelf gekeerd en eenzaam als een oester. De kou in hem bevroor zijn oude gelaatstrekken, beet in zijn spitse neus, deed zijn wangen verschrompelen en zijn gang verstijven; maakte zijn ogen rood en zijn dunne lippen blauw; en klonk snijdend door in zijn schurende stem. Rijp lag op zijn hoofd, op zijn wenkbrauwen en op zijn stugbehaarde kin. Hij droeg zijn eigen lage temperatuur altijd met zich mee; in de hondsdagen liet hij zijn kantoor bevriezen en met Kerstmis liet hij het geen graad ontdooien.

Warmte en kou van buiten hadden weinig vat op Scrooge. Geen warmte kon hem verwarmen, geen winterweer hem verkillen. Geen wind die woei was scherper dan hij, geen vallende sneeuw doelgerichter, geen striemende regen minder vatbaar voor smeekbeden. Guur weer wist niet hoe het hem moest aanpakken. De zwaarste regen, sneeuw, hagel en ijzel konden zich slechts in één opzicht op een voorsprong beroemen. Zij lieten vaak “royaal wat vallen”, en Scrooge nooit.

Niemand hield hem ooit op straat staande om met een blij gezicht te zeggen: “Beste Scrooge, hoe gaat het met je? Wanneer kom je me eens opzoeken?” Geen bedelaar smeekte hem om een kleinigheid, geen kind vroeg hem hoe laat het was, geen man of vrouw vroeg Scrooge ooit in zijn hele leven de weg naar deze of gene plek. Zelfs de honden van blinden schenen hem te kennen; als ze hem zagen aankomen, trokken ze hun bazen portieken en binnenplaatsen in, om vervolgens met hun staart te kwispelen alsof ze zeiden: “Geen oog is nog beter dan een boos oog, blinde baas!”

Maar wat kon Scrooge dat schelen? Dat was juist wat hij wilde. Zich langs de drukke paden van het leven wringen en alle menselijke hartelijkheid manen op afstand te blijven, dat was voor Scrooge, zoals de kenners het noemen, “smullen”.

Op een keer – van alle mooie dagen in het jaar nog wel op kerstavond – zat de oude Scrooge druk te werken op zijn kantoor. Het was koud, guur, bijtend weer; en mistig bovendien; hij kon de mensen buiten op de binnenplaats hijgend heen en weer horen lopen, terwijl ze zich met de handen op de borst sloegen en met de voeten op de straatstenen stampten om warm te worden. De klokken van de City hadden pas drie geslagen, maar het was al volslagen donker – het was de hele dag niet licht geweest – en voor de ramen van de naburige kantoren flakkerden kaarsen als rossige vegen op de tastbare bruine lucht. De mist stroomde door iedere kier en ieder sleutelgat naar binnen en was buiten zo dicht dat de huizen aan de overkant nog slechts schimmen waren, hoe smal de binnenplaats ook was. Wie die vuile wolk zag neerzakken en alles aan het oog onttrekken, had kunnen denken dat de natuur vlakbij woonde en op grote schaal aan het brouwen was.

De deur van Scrooges kantoor stond open, zodat hij zijn klerk in het oog kon houden, die verderop in een troosteloos hokje, een soort bak, brieven zat over te schrijven. Scrooge had een heel klein vuurtje, maar dat van de klerk was zoveel kleiner dat het wel één kooltje leek. Hij kon er echter niets bij doen, want Scrooge hield de kolenbak in zijn eigen kamer; en zodra de klerk met de kolenschep binnenkwam, voorspelde zijn patroon dat ze uit elkaar zouden moeten gaan. Daarom deed de klerk zijn witte sjaal om en probeerde hij zich aan de kaars te warmen; een poging die mislukte, daar hij niet over veel verbeeldingskracht beschikte.

“Een vrolijk kerstfeest, oom! God behoede u!” riep een opgewekte stem. Het was de stem van Scrooges neef, die zo vlug bij hem stond dat dit het eerste was wat hij van zijn komst merkte.

“Bah!” zei Scrooge. “Onzin!”

Door zijn snelle lopen in de mist en de vrieskou had hij het zo warm gekregen, die neef van Scrooge, dat hij helemaal gloeide; zijn gezicht was blozend en knap; zijn ogen schitterden en zijn adem dampte flink.

“Kerstmis onzin, oom!” zei Scrooges neef. “Dat meent u toch zeker niet?”

“Dat meen ik wel,” zei Scrooge. “Vrolijk kerstfeest! Welk recht heb jij om vrolijk te zijn? Welke reden heb jij om vrolijk te zijn? Je bent arm genoeg.”

“Kom nou,” antwoordde de neef opgewekt. “Welk recht hebt u om somber te zijn? Welke reden hebt u om nors te zijn? U bent rijk genoeg.”

Omdat Scrooge zo gauw geen beter antwoord bij de hand had, zei hij nog eens: “Bah!” en liet er “Onzin!” op volgen.

“Wees toch niet zo boos, oom!” zei de neef.

“Wat kan ik anders zijn,” antwoordde de oom, “in zo’n wereld vol dwazen? Vrolijk kerstfeest! Weg met dat vrolijke kerstfeest! Wat is de kersttijd voor jou anders dan een tijd om rekeningen te betalen zonder geld; een tijd om vast te stellen dat je een jaar ouder bent en geen uur rijker; een tijd om je boeken af te sluiten en alle posten van twaalf volle maanden onverbiddelijk tegen je te zien uitvallen? Als ik mijn zin kon doordrijven,” zei Scrooge verontwaardigd, “zou iedere idioot die met ‘Vrolijk kerstfeest’ op de lippen rondloopt, samen met zijn eigen pudding gekookt worden en begraven met een hulsthouten staak door zijn hart. Ja, dat zou hij!”

“Oom!” smeekte de neef.

“Neef!” antwoordde de oom streng, “vier Kerstmis op jouw manier en laat mij het op de mijne vieren.”

“Vieren!” herhaalde Scrooges neef. “Maar u viert het helemaal niet.”

“Laat mij het dan met rust laten,” zei Scrooge. “Dat je er maar veel goeds van mag ondervinden! Alsof je er ooit veel goeds van ondervonden hebt!”

“Er zijn vast veel dingen waar ik iets goeds uit had kunnen halen zonder dat ik er voordeel van heb gehad,” antwoordde de neef, “en Kerstmis hoort daarbij. Maar ik weet zeker dat ik de kersttijd, wanneer die weer aanbrak – afgezien van de eerbied die de heilige naam en oorsprong verdienen, als er al iets wat ermee te maken heeft daarvan los kan staan – altijd heb beschouwd als een goede tijd; een vriendelijke, vergevensgezinde, liefdadige, aangename tijd; de enige tijd die ik ken in de lange kalender van het jaar waarin mannen en vrouwen als bij onderlinge afspraak hun gesloten harten vrijelijk lijken open te stellen en aan de mensen onder hen denken alsof die werkelijk medereizigers naar het graf zijn, en geen ander slag schepsels dat andere reizen onderneemt. En daarom, oom, al heeft het nooit een stukje goud of zilver in mijn zak gebracht, geloof ik dat het me wel goed heeft gedaan en me goed zal doen; en daarom zeg ik: God zegene het!”

De klerk in de bak klapte onwillekeurig in zijn handen. Zodra hij besefte hoe ongepast dat was, pookte hij het vuur op en doofde het laatste zwakke vonkje voorgoed.

“Nog één kik van jou,” zei Scrooge, “en je viert Kerstmis zonder betrekking! Je bent een begaafd redenaar, meneer,” voegde hij eraan toe, zich tot zijn neef wendend. “Het verbaast me dat je niet het parlement ingaat.”

“Wees toch niet boos, oom. Kom! Eet morgen bij ons.”

Scrooge zei dat hij hem nog liever naar de ... zag lopen – ja, werkelijk, dat zei hij. Hij sprak de uitdrukking voluit uit en zei dat hij hem liever eerst naar dat uiterste oord zag lopen.

“Maar waarom?” riep Scrooges neef. “Waarom?”

“Waarom ben je getrouwd?” zei Scrooge.

“Omdat ik verliefd werd.”

“Omdat je verliefd werd!” gromde Scrooge, alsof dat het enige ter wereld was wat nog belachelijker was dan een vrolijk kerstfeest. “Goedemiddag!”

“Maar oom, ook daarvoor kwam u me nooit opzoeken. Waarom voert u dat nu aan als reden om niet te komen?”

“Goedemiddag,” zei Scrooge.

“Ik wil niets van u; ik vraag niets van u; waarom kunnen we geen vrienden zijn?”

“Goedemiddag!” zei Scrooge.

“Het spijt me uit de grond van mijn hart dat u zo onvermurwbaar bent. Van mijn kant is er nooit ruzie tussen ons geweest. Maar ik heb deze poging gedaan uit eerbied voor Kerstmis en ik zal tot het einde toe in de kerststemming blijven. Dus een vrolijk kerstfeest, oom!”

“Goedemiddag,” zei Scrooge.

“En een gelukkig nieuwjaar!”

“Goedemiddag!” zei Scrooge.

Toch verliet zijn neef de kamer zonder een boos woord. Bij de buitendeur bleef hij staan om de klerk de beste wensen voor de feestdagen over te brengen; die was, koud als hij het had, warmer dan Scrooge, want hij beantwoordde ze hartelijk.

“Daar heb je er nog zo een,” mompelde Scrooge, die hem hoorde. “Mijn klerk, met vijftien shilling per week en een vrouw en kinderen, heeft het over een vrolijk kerstfeest. Ik trek me terug in Bedlam.”

Deze krankzinnige had, toen hij Scrooges neef uitliet, twee andere mensen binnengelaten. Het waren gezette heren, aangenaam om te zien, die nu met ontbloot hoofd in Scrooges kantoor stonden. Ze hadden boeken en papieren in hun handen en bogen voor hem.

“Scrooge en Marley, naar ik meen,” zei een van de heren, terwijl hij zijn lijst raadpleegde. “Heb ik het genoegen meneer Scrooge of meneer Marley te spreken?”

“Meneer Marley is al zeven jaar dood,” antwoordde Scrooge. “Hij stierf precies vannacht zeven jaar geleden.”

“Wij twijfelen er niet aan dat zijn vrijgevigheid waardig wordt voortgezet door zijn overlevende compagnon,” zei de heer, terwijl hij zijn geloofsbrieven overhandigde.

Dat was zeker zo, want het waren twee geestverwanten geweest. Bij het onheilspellende woord “vrijgevigheid” fronste Scrooge zijn voorhoofd, schudde zijn hoofd en gaf de geloofsbrieven terug.

“In deze feestelijke tijd van het jaar, meneer Scrooge,” zei de heer, terwijl hij een pen pakte, “is het meer dan anders wenselijk dat wij iets doen voor de armen en behoeftigen, die het momenteel zwaar te verduren hebben. Vele duizenden ontberen de eerste levensbehoeften; honderdduizenden missen zelfs de eenvoudigste gemakken, meneer.”

“Zijn er geen gevangenissen?” vroeg Scrooge.

“Gevangenissen genoeg,” zei de heer, terwijl hij de pen weer neerlegde.

“En de werkhuizen van de armenzorgdistricten?” vroeg Scrooge dringend. “Zijn die nog in bedrijf?”

“Dat zijn ze. Maar,” antwoordde de heer, “ik wou dat ik kon zeggen van niet.”

“De tredmolen en de Armenwet zijn dus nog volop van kracht?” zei Scrooge.

“Ze hebben het allebei heel druk, meneer.”

“O! Uit wat u eerst zei, vreesde ik dat er iets gebeurd was waardoor hun nuttige werk was stilgelegd,” zei Scrooge. “Het doet me groot genoegen dit te horen.”

“Omdat wij de indruk hebben dat ze de grote massa nauwelijks christelijke verkwikking voor geest of lichaam bieden,” antwoordde de heer, “proberen enkelen van ons een fonds bijeen te brengen om voor de armen wat vlees en drank te kopen en middelen om zich warm te houden. Wij kiezen deze tijd omdat Gebrek juist nu het scherpst wordt gevoeld en Overvloed zich verheugt. Voor hoeveel mag ik u noteren?”

“Voor niets!” antwoordde Scrooge.

“U wenst anoniem te blijven?”

“Ik wens met rust gelaten te worden,” zei Scrooge. “Aangezien u vraagt wat ik wens, heren, is dat mijn antwoord. Ik vier zelf geen feest met Kerstmis en ik kan het me niet veroorloven nietsdoeners feest te laten vieren. Ik draag bij aan het onderhoud van de instellingen die ik genoemd heb – die kosten genoeg; en wie het slecht heeft, moet daarheen.”

“Velen kunnen daar niet heen; en velen zouden liever sterven.”

“Als ze liever sterven,” zei Scrooge, “kunnen ze dat beter doen en de overtollige bevolking verminderen. Bovendien – neemt u mij niet kwalijk – is mij dat niet bekend.”

“Maar u zou het kunnen weten,” merkte de heer op.

“Het zijn mijn zaken niet,” antwoordde Scrooge. “Het is al genoeg als een man verstand heeft van zijn eigen zaken en zich niet met die van anderen bemoeit. Mijn zaken houden me voortdurend bezig. Goedemiddag, heren!”

De heren zagen duidelijk in dat het nutteloos was verder aan te dringen en trokken zich terug. Scrooge hervatte zijn werk met een betere dunk van zichzelf en meer zin in scherts dan gewoonlijk.

Intussen verdichtten de mist en de duisternis zich zozeer dat er mensen met fel brandende fakkels rondliepen die aanboden voor rijtuigpaarden uit te lopen en hun de weg te wijzen. De oude kerktoren, waarvan de norse oude klok altijd tersluiks vanuit een gotisch raam in de muur op Scrooge neerkeek, werd onzichtbaar en sloeg in de wolken de uren en kwartieren, met bevende nagalmen, alsof de tanden in zijn bevroren hoofd daarboven klapperden. De kou werd hevig. In de hoofdstraat, op de hoek van de binnenplaats, waren werklieden bezig de gasbuizen te herstellen; ze hadden een groot vuur in een vuurkorf aangestoken, waaromheen een groep in lompen geklede mannen en jongens stond: ze warmden hun handen en knipperden verrukt met hun ogen in de vuurgloed. De waterkraan stond er verlaten bij; het overgelopen water verstijfde plotseling tot mensenhatend ijs. De helder verlichte winkels, waar hulsttakjes en bessen knetterden in de lampenhitte achter de ramen, kleurden bleke gezichten rood als ze voorbijkwamen. De handel van poeliers en kruideniers werd één schitterende grap: een luisterrijk schouwspel waarmee zulke saaie beginselen als koop en verkoop haast onmogelijk iets te maken konden hebben. De lord mayor gaf in het machtige bolwerk Mansion House zijn vijftig koks en butlers opdracht Kerstmis te vieren zoals dat het huishouden van een lord mayor betaamde; en zelfs de kleine kleermaker, die hij de maandag ervoor een boete van vijf shilling had opgelegd omdat hij dronken en bloeddorstig op straat had rondgelopen, roerde op zijn zolderkamer de pudding voor morgen, terwijl zijn magere vrouw met de baby eropuit trok om het rundvlees te kopen.

Nog mistiger en kouder! Een doordringende, alles doortrekkende, bijtende kou. Had de goede Sint-Dunstan de boze Geest maar een kneep in zijn neus gegeven met een vleugje van zulk weer, in plaats van zijn vertrouwde wapens te gebruiken, dan had die pas uit volle borst gebruld. De eigenaar van een schriel, jeugdig neusje, waaraan de hongerige kou knaagde en sabbelde zoals honden aan botten knagen, bukte zich bij Scrooges sleutelgat om hem op een kerstlied te onthalen; maar bij de eerste klanken van

“God zegene u, vrolijke heer,

Moge niets u ooit verschrikken!”

greep Scrooge zo driftig naar zijn liniaal dat het zangertje verschrikt de vlucht nam en het sleutelgat overliet aan de mist en de vorst, die nog beter bij Scrooge paste.

Eindelijk brak het uur aan waarop het kantoor gesloten werd. Met tegenzin klom Scrooge van zijn kruk en erkende stilzwijgend tegenover de verwachtingsvolle klerk in de bak dat het zover was; die doofde onmiddellijk zijn kaars en zette zijn hoed op.

“Je zult morgen wel de hele dag vrij willen, neem ik aan?” zei Scrooge.

“Als het u helemaal schikt, meneer.”

“Het schikt me niet,” zei Scrooge, “en het is niet eerlijk. Als ik er een halve kroon voor inhield, zou je vinden dat je slecht behandeld werd, wed ik?”

De klerk glimlachte flauwtjes.

“En toch,” zei Scrooge, “vind je niet dat ik slecht behandeld word als ik een dag loon betaal zonder dat er gewerkt wordt.”

De klerk merkte op dat het maar één keer per jaar was.

“Een armzalig excuus om een man elke vijfentwintigste december de zakken te rollen!” zei Scrooge, terwijl hij zijn overjas tot aan zijn kin dichtknoopte. “Maar ik veronderstel dat je de hele dag wel moet hebben. Zorg dat je er de volgende ochtend des te vroeger bent.”

De klerk beloofde dat hij dat zou doen en Scrooge liep grommend naar buiten. Het kantoor was in een oogwenk gesloten en de klerk, bij wie de lange uiteinden van zijn witte sjaal onder zijn middel bungelden (want op een overjas kon hij niet bogen), gleed op Cornhill, achter aan een rij jongens, twintig keer over een glijbaan, ter ere van kerstavond, en rende daarna zo hard als hij kon naar huis in Camden Town om blindemannetje te spelen.

Scrooge at zijn naargeestige avondmaal in zijn gewone naargeestige herberg; en nadat hij alle kranten had gelezen en de rest van de avond met zijn bankboekje had verdreven, ging hij naar huis, naar bed. Hij woonde in kamers die ooit van zijn overleden compagnon waren geweest. Het was een sombere reeks vertrekken in een dreigend bouwgevaarte aan een binnenplaats, waar het zo weinig te zoeken had dat men zich haast onwillekeurig voorstelde dat het er als jong huis tijdens het verstoppertje spelen met andere huizen naartoe was gerend en daarna de weg naar buiten was vergeten. Nu was het oud genoeg en treurig genoeg; want niemand woonde er behalve Scrooge, aangezien alle andere kamers als kantoor verhuurd waren. De binnenplaats was zo donker dat zelfs Scrooge, die er iedere steen kende, met zijn handen moest tasten. Mist en vorst hingen zo dicht om de zwarte oude toegangspoort van het huis dat het leek alsof de Geest van het Weer in droef gepeins op de drempel zat.

Nu is het een feit dat er aan de deurklopper op de deur niets bijzonders was, behalve dat hij heel groot was. Ook is het een feit dat Scrooge hem ’s avonds en ’s ochtends had gezien zolang hij daar woonde; en dat Scrooge even weinig bezat van wat men verbeeldingskracht noemt als wie ook in de City van Londen, zelfs – en dat is nogal wat gezegd – het stadsbestuur, de wethouders en de gildeleden niet uitgezonderd. Laat men ook bedenken dat Scrooge geen moment aan Marley had gedacht sinds hij die middag voor het laatst zijn al zeven jaar dode compagnon had genoemd. En laat iemand mij dan eens verklaren, als hij kan, hoe het kwam dat Scrooge, met zijn sleutel in het deurslot, in de deurklopper – zonder dat die ook maar enige tussentijdse verandering onderging – geen deurklopper zag, maar Marleys gezicht.

Marleys gezicht. Het lag niet in ondoordringbare schaduw, zoals de andere voorwerpen op de binnenplaats, maar er hing een naargeestig schijnsel omheen, als om een bedorven kreeft in een donkere kelder. Het was niet boos of woest, maar keek Scrooge aan zoals Marley altijd keek, met zijn spookachtige bril omhooggeschoven op zijn spookachtige voorhoofd. Het haar bewoog zonderling, alsof er adem of warme lucht doorheen ging; en hoewel de ogen wijd openstonden, waren ze volkomen onbeweeglijk. Dat en de loodbleke kleur maakten het afschuwelijk; maar die afschuwelijkheid leek het gezicht ondanks zichzelf en buiten zijn macht om aan te kleven, in plaats van deel uit te maken van zijn eigen uitdrukking.

Terwijl Scrooge dit verschijnsel strak aankeek, was het weer een deurklopper.

Het zou onwaar zijn te zeggen dat hij niet schrok, of dat hij niet tot in zijn bloed een verschrikkelijk gevoel ondervond dat hij sinds zijn prilste jeugd niet meer had gekend. Maar hij legde zijn hand op de sleutel die hij had losgelaten, draaide hem vastberaden om, liep naar binnen en stak zijn kaars aan.

Hij bleef wel een ogenblik besluiteloos staan voordat hij de deur dichtdeed; en hij keek wel eerst voorzichtig achter de deur, alsof hij half verwachtte tot zijn schrik Marleys haarstaart de hal in te zien steken. Maar aan de achterkant van de deur zat niets behalve de schroeven en moeren waarmee de deurklopper vastzat, dus zei hij: “Poeh, poeh!” en gooide de deur met een klap dicht.

Het geluid dreunde als donder door het huis. Elke kamer boven en ieder vat in de kelders van de wijnhandelaar beneden leek een eigen reeks echo’s te laten horen. Scrooge was geen man die van echo’s schrok. Hij grendelde de deur, liep de hal door en ging de trap op: langzaam ook nog, terwijl hij onderweg de pit van zijn kaars bijknipte.

U kunt gemakkelijk zeggen dat men een koets met zesspan een degelijke oude trap op kan rijden, of dwars door een ondeugdelijke nieuwe parlementswet heen; maar ik beweer dat u een lijkkoets die trap op had kunnen rijden, overdwars, met de trekbalk naar de muur en het portier naar de balustrade: en dat met gemak. Daarvoor was er breedte genoeg, en nog ruimte over; misschien was dat de reden waarom Scrooge een uit zichzelf rijdende lijkkoets voor zich uit meende te zien gaan in het duister. Zes gaslantaarns van de straat zouden de hal nog maar matig hebben verlicht, dus u kunt zich voorstellen hoe donker het was bij het licht van Scrooges vetkaars.

Scrooge ging naar boven zonder zich daar een zier om te bekommeren. Duisternis is goedkoop en Scrooge hield ervan. Maar voordat hij zijn zware deur sloot, liep hij zijn kamers door om te zien of alles in orde was. Hij herinnerde zich het gezicht nog net goed genoeg om dat te willen doen.

Woonkamer, slaapkamer, rommelkamer. Alles zoals het hoorde. Niemand onder de tafel, niemand onder de sofa; een klein vuur in de haard; lepel en kom klaargezet; en het pannetje dunne pap (Scrooge was neusverkouden) op de haardrichel. Niemand onder het bed; niemand in de kast; niemand in zijn kamerjas, die in een verdachte houding aan de muur hing. Rommelkamer zoals altijd. Oud haardscherm, oude schoenen, twee vismanden, wastafel op drie poten en een pook.

Volkomen tevreden sloot hij zijn deur en deed die op slot; dubbel op slot, wat niet zijn gewoonte was. Zo beveiligd tegen verrassingen deed hij zijn halsdoek af, trok zijn kamerjas en pantoffels aan, zette zijn slaapmuts op en ging voor het vuur zitten om zijn pap te eten.

Het was werkelijk een heel klein vuur; niets op zo’n bittere nacht. Hij moest er dicht bij gaan zitten en zich eroverheen buigen om aan dat handjevol brandstof ook maar het geringste gevoel van warmte te ontlokken. Het was een oude haard, lang geleden door een Nederlandse koopman gebouwd en rondom bekleed met zonderlinge Nederlandse tegels waarop voorstellingen uit de Schrift stonden. Er waren Kaïns en Abels, faraodochters, koninginnen van Seba, engelenboden die door de lucht neerdaalden op wolken als verenbedden, Abrahams, Belsazars, apostelen die in botervlootjes zee kozen, honderden figuren om zijn gedachten te boeien; en toch kwam dat gezicht van Marley, die al zeven jaar dood was, als de staf van de profeet van weleer en verzwolg ze allemaal. Als iedere gladde tegel aanvankelijk blanco was geweest en uit de losse flarden van zijn gedachten een afbeelding op het oppervlak had kunnen vormen, zou op elke tegel een afbeelding van het hoofd van de oude Marley hebben gestaan.

“Onzin!” zei Scrooge; en hij liep de kamer door.

Na een paar keer heen en weer te zijn gelopen, ging hij weer zitten. Toen hij zijn hoofd achterover liet zakken in de stoel, viel zijn blik toevallig op een bel, een niet meer gebruikte bel, die in de kamer hing en om een inmiddels vergeten reden in verbinding stond met een kamer op de bovenste verdieping van het gebouw. Met grote verbazing en een vreemde, onverklaarbare angst zag hij, terwijl hij ernaar keek, dat de bel begon te bewegen. Eerst bewoog hij zo zachtjes dat hij nauwelijks geluid maakte; maar al gauw rinkelde hij luid, en alle andere bellen in het huis ook.

Dit duurde misschien een halve minuut of een minuut, maar het leek een uur. De bellen hielden tegelijk op, zoals ze tegelijk waren begonnen. Daarna klonk diep beneden een gerammel, alsof iemand een zware ketting over de vaten in de kelder van de wijnhandelaar sleepte. Toen herinnerde Scrooge zich dat hij had horen vertellen dat spoken in spookhuizen kettingen achter zich aan sleepten.

De kelderdeur vloog dreunend open en toen hoorde hij het geluid veel luider op de verdiepingen beneden; toen kwam het de trap op; toen recht op zijn deur af.

“Het blijft onzin!” zei Scrooge. “Ik geloof het niet.”

Hij verschoot echter van kleur toen de gestalte zonder stil te houden door de zware deur heen kwam en voor zijn ogen de kamer binnenging. Bij zijn binnenkomst laaide de wegstervende vlam op, alsof ze riep: “Ik ken hem! Marleys Spook!” en zakte weer weg.

Hetzelfde gezicht: precies hetzelfde. Marley met zijn haarstaart, zijn gewone vest, zijn strakke broek en zijn laarzen; de kwasten aan die laatste stonden overeind, net als zijn haarstaart, zijn jaspanden en het haar op zijn hoofd. De ketting die hij achter zich aan trok, zat om zijn middel vast. Hij was lang en lag als een staart om hem heen gewonden; en hij bestond (want Scrooge bekeek hem nauwkeurig) uit geldkistjes, sleutels, hangsloten, grootboeken, akten en zware beurzen, alles uit staal gesmeed. Zijn lichaam was doorzichtig: zodat Scrooge, toen hij hem bekeek en door zijn vest heen keek, de twee knopen achter op zijn jas kon zien.

Scrooge had vaak horen zeggen dat Marley geen hart in zijn lijf had, maar hij had het tot nu toe nooit geloofd.

Nee, zelfs nu geloofde hij het niet. Hoewel hij dwars door de schim heen keek en hem voor zich zag staan; hoewel hij de verkillende invloed van zijn doodskoude ogen voelde en zelfs het weefsel zag van de gevouwen doek om zijn hoofd en kin, een zwachtel die hij eerder niet had opgemerkt, bleef hij ongelovig en verzette hij zich tegen zijn zintuigen.

“Wat nu!” zei Scrooge, even bijtend en koud als altijd. “Wat wil je van me?”

“Veel!” – Marleys stem; geen twijfel mogelijk.

“Wie ben je?”

“Vraag me wie ik was.”

“Wie was je dan?” zei Scrooge met verheffing van stem. “Je bent nogal precies, voor een schim.” Hij had “tot op een haartje” willen zeggen, maar koos deze woorden, omdat ze passender waren.

“Bij mijn leven was ik je compagnon, Jacob Marley.”

“Kun je – kun je gaan zitten?” vroeg Scrooge, terwijl hij hem twijfelend aankeek.

“Dat kan ik.”

“Doe dat dan.”

Scrooge stelde die vraag omdat hij niet wist of een zo doorzichtig spook wel op een stoel kon plaatsnemen; en hij besefte dat, als dat onmogelijk bleek, een pijnlijke uitleg nodig zou kunnen zijn. Maar het Spook ging aan de overkant van de haard zitten alsof hij niets anders gewend was.

“Je gelooft niet in me,” merkte het Spook op.

“Nee,” zei Scrooge.

“Welk bewijs wil je nog voor mijn bestaan, behalve dat van je eigen zintuigen?”

“Dat weet ik niet,” zei Scrooge.

“Waarom twijfel je aan je zintuigen?”

“Omdat,” zei Scrooge, “ze zich door een kleinigheid laten beïnvloeden. Een lichte maagstoornis maakt er bedriegers van. Je bent misschien een onverteerd stukje rundvlees, een klodder mosterd, een kruimel kaas, een brokje ongare aardappel. Je hebt meer van de jus dan van het graf, wat je ook bent!”

Scrooge had niet bepaald de gewoonte grappen te maken, en op dat ogenblik voelde hij zich vanbinnen allerminst jolig. De waarheid is dat hij geestig probeerde te zijn om zijn eigen aandacht af te leiden en zijn angst te onderdrukken; want de stem van de spookgestalte joeg hem schrik aan tot in het merg van zijn beenderen.

Ook maar een ogenblik zwijgend naar die starre, glazige ogen te zitten staren zou hem, voelde Scrooge, volkomen uit zijn evenwicht slaan. Er school ook iets heel ontzettends in dat de spookgestalte een eigen helse luchtkring om zich heen had. Scrooge zelf voelde er niets van, maar het was duidelijk zo; want hoewel het Spook volkomen onbeweeglijk zat, bleven zijn haar, zijn jaspanden en zijn kwasten bewegen alsof er hete damp uit een oven tegenaan sloeg.

“Zie je deze tandenstoker?” zei Scrooge, die om de zojuist genoemde reden haastig opnieuw in de aanval ging en hoopte de starre blik van de verschijning al was het maar een seconde van zichzelf af te leiden.

“Die zie ik,” antwoordde het Spook.

“Je kijkt er niet naar,” zei Scrooge.

“Maar ik zie hem,” zei het Spook, “toch.”

“Wel!” antwoordde Scrooge. “Ik hoef dit ding maar door te slikken om de rest van mijn dagen vervolgd te worden door een legioen kobolden, allemaal door mijzelf geschapen. Onzin, zeg ik je: onzin!”

Hierop slaakte de Geest een afgrijselijke kreet en schudde zijn ketting met zo’n akelig en ontstellend geraas dat Scrooge zich stevig aan zijn stoel vastklampte om te voorkomen dat hij in zwijm viel. Maar hoeveel groter werd zijn afgrijzen toen de schim het verband om zijn hoofd afnam, alsof het hem binnenshuis te warm was, en zijn onderkaak op zijn borst zakte!

Scrooge viel op zijn knieën en vouwde zijn handen voor zijn gezicht.

“Genade!” zei hij. “Vreselijke verschijning, waarom kwel je me?”

“Wereldsgezinde mens!” antwoordde het Spook. “Geloof je in me of niet?”

“Ja,” zei Scrooge, “ik moet wel. Maar waarom dwalen geesten over de aarde en waarom komen ze bij mij?”

“Van ieder mens wordt verlangd,” antwoordde het Spook, “dat de geest in hem zich onder zijn medemensen begeeft en heinde en ver trekt; en als die geest er bij zijn leven niet op uitgaat, is hij ertoe veroordeeld dat na de dood te doen. Hij is gedoemd door de wereld te zwerven – o, wee mij! – en te aanschouwen waaraan hij geen deel kan hebben, maar waaraan hij op aarde deel had kunnen hebben en wat hij tot geluk had kunnen maken!”

Opnieuw slaakte de spookgestalte een kreet, schudde zijn ketting en wrong zijn schimmige handen.

“Je bent geboeid,” zei Scrooge bevend. “Vertel me waarom.”

“Ik draag de ketting die ik bij mijn leven heb gesmeed,” antwoordde het Spook. “Ik heb hem schakel voor schakel en yard voor yard gemaakt; uit vrije wil heb ik hem omgedaan en uit vrije wil heb ik hem gedragen. Komt dit model jou vreemd voor?”

Scrooge beefde steeds heviger.

“Of wil je weten,” vervolgde het Spook, “hoe zwaar en hoe lang de stevige ketting is die jij zelf draagt? Zeven kerstavonden geleden was hij al even zwaar en even lang als deze. Sindsdien heb je eraan doorgewerkt. Het is een loodzware ketting!”

Scrooge keek om zich heen over de vloer, in de verwachting zich omringd te zien door een vijftig of zestig vadem ijzeren kabel; maar hij zag niets.

“Jacob!” zei hij smekend. “Oude Jacob Marley, vertel me meer! Spreek me troost toe, Jacob!”

“Die heb ik niet te geven,” antwoordde het Spook. “Die komt uit andere oorden, Ebenezer Scrooge, en wordt door andere dienaren aan een ander soort mensen gebracht. Ook kan ik je niet alles vertellen wat ik zou willen. Nog maar weinig meer is mij vergund. Ik kan niet rusten, ik kan niet blijven, ik kan nergens vertoeven. Mijn geest kwam nooit buiten ons kantoor – let op mijn woorden – bij mijn leven zwierf mijn geest nooit buiten de nauwe grenzen van ons geldwisselaarshol; en er liggen afmattende reizen voor me!”

Het was een gewoonte van Scrooge om zijn handen in de zakken van zijn kniebroek te steken zodra hij nadacht. Terwijl hij peinsde over wat het Spook had gezegd, deed hij dat nu ook, maar zonder zijn ogen op te slaan of van zijn knieën op te staan.

“Dan moet je wel heel langzaam zijn opgeschoten, Jacob,” merkte Scrooge zakelijk op, al klonk hij nederig en eerbiedig.

“Langzaam!” herhaalde het Spook.

“Zeven jaar dood,” peinsde Scrooge. “En al die tijd op reis?”

“Al die tijd,” zei het Spook. “Geen rust, geen vrede. Een onophoudelijke kwelling van berouw.”

“Reis je snel?” zei Scrooge.

“Op de vleugels van de wind,” antwoordde het Spook.

“Dan had je in zeven jaar een heel eind kunnen komen,” zei Scrooge.

Toen het Spook dit hoorde, slaakte hij opnieuw een kreet en liet zijn ketting zo afschuwelijk rammelen in de doodse stilte van de nacht dat de wijk hem met recht wegens overlast had kunnen aanklagen.

“O, gevangen, geboeid en dubbel in het ijzer,” riep de schim, “niet te weten dat eeuwen van onafgebroken arbeid door onsterfelijke wezens voor deze aarde moeten vergaan in de eeuwigheid, voordat al het goede dat op haar mogelijk is tot stand is gebracht! Niet te weten dat iedere christelijke geest die in zijn kleine kring, welke dat ook is, liefdevol werkzaam is, zal ontdekken dat zijn sterfelijke leven te kort is voor zijn ontzaglijke mogelijkheden om goed te doen! Niet te weten dat geen berouw, hoe lang het ook duurt, goed kan maken wat er in één leven aan kansen is verspild! En toch was ik zo! O, zo was ik!”

“Maar je was altijd een goed zakenman, Jacob,” stamelde Scrooge, die dit nu op zichzelf begon te betrekken.

“Zaken!” riep het Spook, terwijl hij opnieuw zijn handen wrong. “De mensheid was mijn zaak. Het algemeen welzijn was mijn zaak; liefdadigheid, mededogen, verdraagzaamheid en welwillendheid waren allemaal mijn zaak. De transacties van mijn handel waren maar een druppel water in de allesomvattende oceaan van mijn zaken!”

Hij hield zijn ketting op armlengte omhoog alsof die de oorzaak was van al zijn vruchteloze verdriet, en liet hem weer zwaar op de grond neerkomen.

“In deze steeds terugkerende tijd van het jaar,” zei de spookgestalte, “lijd ik het meest. Waarom liep ik met neergeslagen ogen door menigten medemensen en sloeg ik ze nooit op naar die gezegende ster die de Wijzen naar een arme woning leidde? Waren er geen arme huizen waarheen dat licht mij zou hebben geleid?”

Scrooge was zeer ontsteld dat de spookgestalte zo doorging en begon hevig te sidderen.

“Hoor me aan!” riep het Spook. “Mijn tijd is haast voorbij.”

“Dat zal ik,” zei Scrooge. “Maar wees niet hard voor me! Gebruik geen bloemrijke taal, Jacob! Alsjeblieft!”

“Hoe het komt dat ik voor je verschijn in een gedaante die je kunt zien, mag ik niet vertellen. Ik heb vele, vele dagen onzichtbaar naast je gezeten.”

Dat was geen aangename gedachte. Scrooge huiverde en veegde het zweet van zijn voorhoofd.

“Dat is geen gering deel van mijn boetedoening,” vervolgde het Spook. “Ik ben hier vanavond om je te waarschuwen dat je nog een kans hebt en nog hoop om aan mijn lot te ontkomen. Een kans en hoop die ik je heb verschaft, Ebenezer.”

“Je bent altijd een goede vriend voor me geweest,” zei Scrooge. “Dank je wel!”

“Je zult,” hervatte het Spook, “door drie Geesten worden bezocht.”

Scrooges gezicht werd bijna even lang als dat van het Spook tevoren.

“Is dat de kans en hoop waar je het over had, Jacob?” vroeg hij met haperende stem.

“Ja.”

“Ik – ik denk dat ik liever niet wil,” zei Scrooge.

“Zonder hun bezoeken,” zei het Spook, “kun je niet hopen de weg te ontlopen die ik ga. Verwacht morgen de eerste, als de klok één slaat.”

“Kan ik ze niet allemaal tegelijk krijgen en er dan vanaf zijn, Jacob?” opperde Scrooge.

“Verwacht de tweede de daaropvolgende nacht op hetzelfde uur. De derde de nacht daarna, als de laatste slag van twaalf is weggetrild. Reken erop dat je mij niet meer ziet; en zorg er in je eigen belang voor dat je onthoudt wat er tussen ons is voorgevallen!”

Na deze woorden nam de spookgestalte zijn doek van de tafel en bond die zoals tevoren om zijn hoofd. Scrooge merkte dit aan het scherpe klikken van zijn tanden toen de kaken door het verband op elkaar werden gebracht. Hij waagde het zijn ogen weer op te slaan en zag zijn bovennatuurlijke bezoeker rechtop tegenover zich staan, met zijn ketting over en om zijn arm gewonden.

De verschijning liep achteruit bij hem vandaan; en bij elke stap schoof het raam vanzelf een eindje omhoog, zodat het wijd openstond toen de spookgestalte het bereikte. Hij wenkte Scrooge dichterbij, en die kwam. Toen ze elkaar tot op twee passen genaderd waren, stak Marleys Spook zijn hand op als waarschuwing om niet dichterbij te komen. Scrooge bleef staan.

Niet zozeer uit gehoorzaamheid als wel uit verbazing en angst; want toen de hand omhoogging, hoorde hij verwarde geluiden in de lucht; onsamenhangende klanken van jammer en berouw; onuitsprekelijk treurig geweeklaag vol zelfverwijt. De spookgestalte luisterde een ogenblik, viel toen in bij de droeve klaagzang en zweefde naar buiten, de gure, donkere nacht in.

Scrooge volgde hem naar het raam: verteerd door nieuwsgierigheid. Hij keek naar buiten.

De lucht was vol schimmen die in rusteloze haast heen en weer zwierven en al dwalend kreunden. Allemaal droegen ze kettingen, net als Marleys Spook; een paar (misschien waren het schuldige regeringen) waren aan elkaar geketend; geen was vrij. Velen had Scrooge bij hun leven persoonlijk gekend. Eén oud spook in een wit vest, met een ontzaglijke ijzeren brandkast aan de enkel, had hij bijzonder goed gekend; het schreide jammerlijk omdat het een ongelukkige vrouw met een zuigeling, die het beneden op een stoep zag zitten, niet kon helpen. Het was duidelijk waarin hun aller ellende school: ze wilden ingrijpen in menselijke zaken om goed te doen en hadden het vermogen daartoe voorgoed verloren.

Of deze wezens in nevel oplosten of door nevel werden omhuld, kon hij niet zeggen. Maar zij en hun geestenstemmen verdwenen tegelijk; en de nacht werd weer zoals hij was geweest toen hij naar huis liep.

Scrooge sloot het raam en onderzocht de deur waardoor het Spook was binnengekomen. Die zat dubbel op slot, zoals hij die eigenhandig op slot had gedaan, en de grendels waren onaangeroerd. Hij probeerde “Onzin!” te zeggen, maar bleef bij de eerste lettergreep steken. En omdat hij door de emoties die hij had doorstaan, of door de vermoeienissen van de dag, of door zijn glimp van de onzichtbare wereld, of door de saaie praat van het Spook, of door het late uur, dringend rust nodig had, ging hij zonder zich uit te kleden rechtstreeks naar bed en viel onmiddellijk in slaap.


Cookie- en privacyvoorkeuren

U houdt de controle over uw gegevens

Lees meer over de cookies die we gebruiken en kies welke cookies u toestaat.

  • Deze cookies zijn nodig om de website goed te laten werken, bijvoorbeeld om in te loggen en artikelen aan uw winkelmandje toe te voegen.

  • Deze cookies slaan gegevens over uw activiteiten op om uw volgende bezoek aan de website te personaliseren.

  • Wij en onze partners, waaronder Shopify, gebruiken deze cookies om marketingcommunicatie te optimaliseren en u advertenties op andere websites te tonen.

  • Deze cookies helpen ons te begrijpen hoe u de website gebruikt. We gebruiken deze gegevens om te bepalen wat we kunnen verbeteren.