Het huis aan de grens
William Hope Hodgson
Hoofdstuk 1: De vondst van het manuscript
Ver weg in het westen van Ierland ligt een nietig gehucht dat Kraighten heet. Het ligt eenzaam aan de voet van een lage heuvel. Ver in de omtrek strekt zich een troosteloos, volkomen onherbergzaam landschap uit, waar men slechts hier en daar, op grote afstand van elkaar, op de ruïnes van een al lang verlaten huisje kan stuiten – kaal, zonder rieten dak. De hele streek is onbegroeid en onbewoond; de aarde bedekt er nauwelijks het onderliggende gesteente, dat hier overal te vinden is en op sommige plaatsen in golfvormige ruggen boven de grond uitrijst.
Toch hadden mijn vriend Tonnison en ik besloten er, ondanks die verlatenheid, onze vakantie door te brengen. Hij was het jaar daarvoor, tijdens een lange voettocht, bij louter toeval op de plek gestuit en had ontdekt wat een klein, naamloos riviertje dat langs de rand van het dorp stroomt de hengelaar te bieden had.
Ik zei al dat de rivier geen naam heeft; ik kan eraan toevoegen dat op geen enkele kaart die ik tot dusver heb geraadpleegd het dorp of het stroompje staat aangegeven. Ze lijken volkomen aan de aandacht te zijn ontsnapt; naar de doorsnee reisgids te oordelen zouden ze zelfs helemaal niet bestaan. Misschien valt dat deels te verklaren uit het feit dat het dichtstbijzijnde spoorwegstation (Ardrahan) zo’n veertig mijl verderop ligt.
Het was nog vroeg op een warme avond toen mijn vriend en ik in Kraighten aankwamen. We hadden Ardrahan de vorige avond bereikt, daar overnacht in kamers die we bij het dorpspostkantoor hadden gehuurd en waren de volgende ochtend bijtijds vertrokken op een van die typische Ierse tweewielige rijtuigjes, waaraan we ons zo goed en zo kwaad als het ging vastklampten.
Het had ons de hele dag gekost om de reis af te leggen over enkele van de slechtste paden die men zich maar kan voorstellen, met als gevolg dat we doodmoe en enigszins slechtgehumeurd waren. Maar de tent moest worden opgezet en onze spullen moesten worden opgeborgen voordat we aan eten of rust konden denken. Dus gingen we met de hulp van onze koetsier aan het werk, en al gauw stond de tent op een klein stukje grond vlak buiten het dorp, dicht bij de rivier.
Toen we al onze bezittingen hadden opgeborgen, lieten we de koetsier vertrekken, want hij moest zo snel mogelijk terug, en zeiden hem over veertien dagen weer bij ons te komen. We hadden genoeg proviand meegebracht om die tijd door te komen, en water konden we uit de rivier halen. Brandstof hadden we niet nodig, want tot onze uitrusting behoorde een klein petroleumstel, en het weer was mooi en warm.
Het was Tonnisons idee om te kamperen in plaats van onderdak te zoeken in een van de huisjes. Zoals hij het uitdrukte, was het geen pretje om in een kamer te slapen met in de ene hoek een groot, kerngezond Iers gezin en in de andere een varkenshok, terwijl boven je hoofd een haveloze kolonie kippen op stok haar zegeningen zonder aanzien des persoons uitstrooide, en het er zo vol turfrook stond dat je je al een ongeluk niesde als je je hoofd maar door de deuropening stak.
Tonnison had inmiddels het petroleumstel aangestoken en sneed plakken spek die hij in de koekenpan liet vallen; ik nam dus de ketel en liep naar de rivier om water te halen. Onderweg moest ik vlak langs een groepje dorpelingen, die mij nieuwsgierig maar geenszins onvriendelijk opnamen, al waagde niemand zich aan een woord.
Toen ik met de volle ketel terugkwam, liep ik naar hen toe en vroeg hun, na een vriendelijke knik die zij op dezelfde wijze beantwoordden, terloops hoe de vis hier beet; maar in plaats van te antwoorden schudden ze slechts zwijgend het hoofd en staarden mij aan. Ik herhaalde mijn vraag en richtte mij nu vooral tot een grote, broodmagere kerel vlak naast mij; maar opnieuw kreeg ik geen antwoord. Toen wendde de man zich tot een van zijn makkers en zei snel iets in een taal die ik niet verstond; meteen begon het hele gezelschap te ratelen in wat ik na enkele ogenblikken voor zuiver Iers hield. Daarbij wierpen ze menige blik in mijn richting. Misschien een minuut lang spraken ze zo onder elkaar; toen keerde de man tot wie ik mij had gericht zich naar mij toe en zei iets. Aan zijn gezichtsuitdrukking meende ik te zien dat hij mij op zijn beurt iets vroeg; maar nu moest ik het hoofd schudden en te kennen geven dat ik niet begreep wat ze wilden weten. Zo stonden we elkaar aan te kijken, tot ik Tonnison hoorde roepen dat ik moest opschieten met de ketel. Glimlachend en knikkend ging ik weg, en iedereen in het groepje glimlachte en knikte terug, hoewel de verwarring nog op hun gezichten te lezen stond.
Het was duidelijk, bedacht ik terwijl ik naar de tent liep, dat de bewoners van deze paar hutten in de wildernis geen woord Engels verstonden; en toen ik het Tonnison vertelde, merkte hij op dat hij dat wist en dat het bovendien in dat deel van het land helemaal niet ongewoon was: de mensen leefden en stierven er vaak in hun afgelegen gehuchten zonder ooit met de buitenwereld in aanraking te komen.
“Hadden we de koetsier maar laten tolken voordat hij vertrok,” merkte ik op toen we gingen zitten om te eten. “Ik vind het zo vreemd dat de mensen hier niet eens weten waarvoor we gekomen zijn.”
Tonnison bromde instemmend en zweeg daarna een poos.
Later, toen we onze honger wat gestild hadden, begonnen we te praten en maakten plannen voor de volgende dag; vervolgens rookten we wat, sloten de tentflap en maakten ons klaar om te gaan slapen.
“Die kerels daarbuiten zullen toch niets meenemen?” vroeg ik terwijl we ons in onze dekens rolden.
Tonnison dacht van niet, tenminste zolang wij in de buurt waren; en zoals hij vervolgens uitlegde, konden we alles behalve de tent opsluiten in de grote kist die we voor onze proviand hadden meegebracht. Ik stemde daarmee in en al gauw sliepen we allebei.
De volgende ochtend stonden we vroeg op en gingen in de rivier zwemmen; daarna kleedden we ons aan en ontbeten. Vervolgens haalden we ons visgerei tevoorschijn en keken het na. Inmiddels was ons ontbijt wat gezakt, dus zorgden we dat alles veilig in de tent opgeborgen was en trokken met stevige pas in de richting die mijn vriend bij zijn vorige bezoek verkend had.
We visten die dag met veel plezier en werkten gestaag stroomopwaarts; tegen de avond hadden we in onze vismand een van de mooiste vangsten die ik in lange tijd gezien had. Terug in het dorp deden we ons tegoed aan onze buit van die dag. Daarna zochten we een paar van de mooiste vissen uit voor ons ontbijt en schonken de rest aan het groepje dorpelingen dat zich op eerbiedige afstand verzameld had om onze verrichtingen gade te slaan. Ze leken buitengewoon dankbaar en hoopten hele bergen van wat ik voor Ierse zegenwensen hield op onze hoofden.
Zo brachten wij verscheidene dagen door, met volop plezier in het vissen en een voortreffelijke eetlust om onze prooi eer aan te doen. Met genoegen merkten we hoe vriendelijk de dorpelingen ons gezind waren en dat niets erop wees dat zij het tijdens onze afwezigheid gewaagd hadden aan onze spullen te zitten.
Wij waren op een dinsdag in Kraighten aangekomen en zouden de zondag daarop een grote ontdekking doen. Tot dan toe waren we altijd stroomopwaarts gegaan; die dag legden we echter onze hengels terzijde en gingen met wat proviand op weg voor een lange zwerftocht in de tegenovergestelde richting. Het was warm en we liepen rustig voort; rond het middaguur hielden we halt om op een grote, platte rots bij de rivieroever onze lunch te eten. Daarna bleven we een poos zitten roken en hervatten onze wandeling pas toen we het stilzitten moe waren.
Nog ongeveer een uur zwierven we verder, rustig en genoeglijk pratend over dit en dat; verscheidene malen bleven we staan terwijl mijn metgezel – die iets van een kunstenaar in zich heeft – ruwe schetsen maakte van markante stukken van het woeste landschap.
En toen kwam de rivier die wij zo vol vertrouwen gevolgd hadden, zonder de geringste waarschuwing, abrupt ten einde – ze verdween in de aarde.
“Grote hemel!” zei ik. “Wie had dat ooit gedacht?”
Ik staarde er verbaasd naar; toen wendde ik mij tot Tonnison. Hij keek met een lege blik naar de plek waar de rivier verdween.
Even later sprak hij.
“Laten we nog wat verder gaan; misschien komt ze weer tevoorschijn – het is hoe dan ook de moeite waard om het uit te zoeken.”
Ik stemde ermee in en we gingen weer verder, zij het nogal doelloos, want we wisten allerminst zeker in welke richting we moesten zoeken. We liepen ongeveer een mijl door; toen bleef Tonnison, die nieuwsgierig om zich heen had gekeken, staan en hield een hand boven zijn ogen.
“Kijk!” zei hij na een ogenblik. “Is dat daar rechts geen nevel of zoiets – ginds, op één lijn met die grote rots?” En hij wees met zijn hand.
Ik tuurde en meende na een minuut iets te zien, maar zeker wist ik het niet, en dat zei ik ook.
“Hoe dan ook,” antwoordde mijn vriend, “we gaan er even heen om te kijken.” En hij ging op weg in de richting die hij had aangegeven; ik volgde hem. Al gauw kwamen we tussen struiken terecht en na enige tijd boven aan een hoge, met rotsblokken bezaaide helling, vanwaar we neerkeken op een wildernis van struiken en bomen.
“Het lijkt wel of we in deze steenwoestijn op een oase zijn gestuit,” mompelde Tonnison terwijl hij belangstellend omlaagkeek. Toen zweeg hij, zijn blik strak op één punt gericht; ook ik keek, want ergens omstreeks het midden van de beboste laagte rees een grote zuil van nevelig stuifwater hoog in de stille lucht op. De zon scheen erop en deed ontelbare regenbogen ontstaan.
“Wat mooi!” riep ik uit.
“Ja,” antwoordde Tonnison peinzend. “Daar moet een waterval zijn, of zoiets. Misschien is het onze rivier die weer tevoorschijn komt. Laten we gaan kijken.”
Wij daalden de helling af en begaven ons tussen de bomen en het struikgewas. De struiken waren met elkaar verstrengeld en de bomen hingen over ons heen, waardoor het er onaangenaam somber was; niet zo donker echter dat mij ontging dat veel bomen fruitbomen waren en dat men hier en daar nog vaag kon zien dat de grond lang geleden bewerkt was. Zo drong het tot mij door dat wij ons een weg baanden door de woekerende begroeiing van een grote, oeroude tuin. Ik zei dit tegen Tonnison en hij was het ermee eens dat er voor die gedachte zeker redelijke gronden leken te bestaan.
Wat een wildernis was het, zo naargeestig en somber! Terwijl wij verdergingen, drong de zwijgende eenzaamheid en verlatenheid van de oude tuin op de een of andere manier steeds sterker tot mij door, en ik huiverde. Men kon zich voorstellen dat er dingen tussen de verstrengelde struiken op de loer lagen; zelfs de lucht die er hing leek iets onheilspellends te hebben. Ik geloof dat Tonnison dit ook voelde, al zei hij niets.
Plotseling bleven we staan. Door de bomen heen was gaandeweg een geluid uit de verte tot ons doorgedrongen. Tonnison boog zich voorover en luisterde. Ik kon het nu duidelijker horen; het hield aan en klonk rauw – een soort dreunend geraas dat van ver leek te komen. Ik voelde een lichte, vreemde, onbeschrijflijke onrust. Op wat voor plek waren wij terechtgekomen? Ik keek naar mijn metgezel om te zien wat hij ervan dacht en zag dat er alleen verwarring op zijn gezicht te lezen stond; maar terwijl ik zijn trekken gadesloeg, trok er langzaam een uitdrukking van begrip over zijn gezicht en knikte hij.
“Dat is een waterval,” riep hij overtuigd uit. “Nu herken ik het geluid.” En hij begon zich met kracht door de struiken heen te dringen, naar het geluid toe.
Terwijl we verdergingen, werd het geluid voortdurend duidelijker, waaruit bleek dat we er recht op af liepen. Het gebulder werd gestadig luider en kwam dichterbij, tot het, zoals ik tegen Tonnison zei, haast van onder onze voeten leek te komen – en nog altijd waren wij omringd door bomen en struiken.
“Wees voorzichtig!” riep Tonnison mij toe. “Kijk uit waar je loopt.” En toen kwamen we plotseling tussen de bomen uit op een grote open plek, waar op nog geen zes passen voor ons de mond van een ontzaglijke kloof gaapte. Uit de diepte leek het geraas op te stijgen, samen met de onophoudelijke waternevel die we vanaf de top van de verre helling gezien hadden.
Wel een minuut stonden wij zwijgend en verbijsterd naar het schouwspel te staren; toen liep mijn vriend behoedzaam naar de rand van de afgrond. Ik volgde hem en samen keken wij door kolkend stuifwater heen neer op een reusachtige waterval van schuimend water die bijna honderd voet onder ons uit de wand van de kloof tevoorschijn spoot.
“Grote hemel!” zei Tonnison.
Ik zweeg en voelde een zeker ontzag. Het schouwspel was zo onverwacht groots en huiveringwekkend, al voelde ik dat laatste later sterker.
Na enige tijd keek ik op, naar de overkant van de kloof. Daar zag ik iets tussen het stuifwater oprijzen: het leek een stuk van een grote ruïne, en ik raakte Tonnison op de schouder aan. Hij keek opgeschrikt om en ik wees ernaar. Zijn blik volgde mijn vinger en toen het voorwerp binnen zijn gezichtsveld kwam, lichtten zijn ogen plotseling op van opwinding.
“Kom mee,” schreeuwde hij boven het geraas uit. “We gaan eens kijken. Er is iets vreemds met deze plek; ik voel het in mijn botten.” En hij liep weg langs de rand van de kraterachtige afgrond. Toen we dichter bij deze nieuwe vondst kwamen, zag ik dat mijn eerste indruk niet onjuist was geweest. Het was onmiskenbaar een deel van een vervallen gebouw; maar nu zag ik dat het niet op de rand van de kloof zelf gebouwd was, zoals ik eerst gedacht had, maar bijna op het uiterste einde van een enorme rotspunt stond, die zo’n vijftig of zestig voet over de afgrond uitstak. De grillig afgebrokkelde bouwval hing in feite letterlijk vrij in de lucht.
Toen we er recht tegenover stonden, liepen we de uitstekende rotsarm op, en ik moet bekennen dat mij een ondraaglijk gevoel van angst bekroop toen ik van die duizelingwekkende hoogte neerkeek in de onbekende diepten onder ons – de diepten waaruit onophoudelijk het gedonder van het vallende water en de sluier van opstijgend stuifwater oprezen.
Bij de ruïne gekomen klauterden we er voorzichtig omheen en stuitten aan de andere kant op een massa gevallen stenen en puin. De ruïne zelf kwam mij, nu ik haar nauwgezet onderzocht, voor als een stuk buitenmuur van een ontzaglijk bouwwerk, zo dik en stevig was zij opgetrokken; maar ik kon met geen mogelijkheid gissen wat zij op zo’n plek deed. Waar was de rest van het huis, of kasteel, of wat er dan ook gestaan had?
Ik ging terug naar de buitenzijde van de muur en vandaar naar de rand van de kloof, terwijl Tonnison aan de buitenkant stelselmatig de hoop stenen en puin doorwoelde. Toen begon ik de grond bij de rand van de afgrond te onderzoeken, om te zien of er niet nog andere resten lagen van het gebouw waartoe het stuk ruïne kennelijk behoorde. Maar hoewel ik de aarde met de grootste zorgvuldigheid afzocht, zag ik geen enkel spoor waaruit bleek dat op die plek ooit een gebouw had gestaan, en ik raakte nog meer in verwarring.
Toen hoorde ik Tonnison roepen; hij schreeuwde opgewonden mijn naam en zonder dralen haastte ik mij over de rotsige uitloper naar de ruïne. Ik vroeg mij af of hij zich bezeerd had, en toen kwam de gedachte in me op dat hij misschien iets gevonden had.
Ik bereikte de afgebrokkelde muur en klauterde eromheen. Daar zag ik Tonnison staan in een kleine kuil die hij tussen het puin had uitgegraven; hij veegde het vuil van iets wat op een boek leek, sterk verkreukeld en gehavend, en deed elke paar tellen zijn mond open om mijn naam te brullen. Zodra hij zag dat ik er was, reikte hij mij zijn schat aan en zei dat ik die in mijn schoudertas moest stoppen om hem tegen het vocht te beschermen, terwijl hij zijn onderzoek voortzette. Dat deed ik, maar eerst liet ik de bladzijden door mijn vingers glijden en zag dat ze dicht beschreven waren in een keurig, ouderwets handschrift dat goed leesbaar was, behalve op één plek, waar veel bladzijden bijna geheel vernield waren, bemodderd en verfrommeld, alsof het boek daar dubbelgevouwen was geweest. Van Tonnison vernam ik dat hij het werkelijk zo gevonden had; de schade was vermoedelijk veroorzaakt door metselwerk dat op het opengeslagen gedeelte gevallen was. Vreemd genoeg was het boek tamelijk droog, wat ik toeschreef aan het feit dat het zo goed onder het puin bedolven had gelegen.
Nadat ik het boek veilig had weggeborgen, stak ik de handen uit de mouwen en hielp Tonnison bij het graafwerk dat hij zichzelf had opgelegd; maar hoewel we meer dan een uur hard werkten en de hele hoop stenen en puin omkeerden, vonden we niets dan enkele brokstukken hout, die delen van een bureau of tafel hadden kunnen zijn. Dus gaven we het zoeken op en liepen over de rots terug naar de veilige vaste grond.
Vervolgens liepen wij de hele ontzaglijke kloof rond; daarbij stelden we vast dat zij een vrijwel volmaakte cirkel vormde, afgezien van de met de ruïne bekroonde rotspunt die erin uitstak en de symmetrie verstoorde.
De afgrond leek, zoals Tonnison het uitdrukte, nog het meest op een reusachtige waterput of kuil die loodrecht omlaag voerde, tot in de ingewanden van de aarde.
Nog een tijdlang bleven wij om ons heen staren en toen wij ten noorden van de kloof een open plek opmerkten, gingen wij die kant op.
Hier stuitten wij, op een paar honderd yard van de mond van de ontzaglijke kuil, op een groot meer met stil water – stil, dat wil zeggen, behalve op één plek, waar het onophoudelijk borrelde en gorgelde.
Nu we buiten het geraas van de spuitende waterval waren, konden we elkaar verstaan zonder uit alle macht te hoeven schreeuwen, en ik vroeg Tonnison wat hij van deze plek dacht – ik zei hem dat die mij niet beviel en dat ik er het liefst zo snel mogelijk weg wilde.
Hij knikte ten antwoord en wierp tersluiks een blik op het bos achter ons. Ik vroeg of hij iets gezien of gehoord had. Hij antwoordde niet, maar bleef zwijgend staan alsof hij luisterde, en ook ik hield mij stil.
Plotseling sprak hij.
“Luister!” zei hij scherp. Ik keek naar hem en toen tussen de bomen en struiken door, en hield onwillekeurig mijn adem in. Er verstreek een minuut in gespannen stilte; toch kon ik niets horen en ik wendde me tot Tonnison om dat te zeggen; en toen, juist toen ik mijn mond opende om te spreken, kwam er uit het bos links van ons een vreemd jammerend geluid. … Het leek tussen de bomen door te zweven, en er klonk geritsel van bewegende bladeren, en toen stilte.
Plotseling sprak Tonnison en legde zijn hand op mijn schouder. “Laten we hier weggaan,” zei hij, en hij begon langzaam in de richting te lopen waar de bomen en struiken rondom ons het minst dicht leken te staan. Terwijl ik hem volgde, drong het ineens tot mij door dat de zon laag stond en dat er een gure kilte in de lucht hing.
Tonnison zei verder niets, maar liep gestaag door. Wij waren nu tussen de bomen en ik keek zenuwachtig om me heen, maar zag niets dan de stille takken en stammen en het verwarde struikgewas. Wij liepen verder en geen geluid verbrak de stilte, afgezien van een takje dat af en toe onder onze voeten brak. Toch had ik, ondanks die stilte, het afschuwelijke gevoel dat wij niet alleen waren; ik bleef zo dicht bij Tonnison dat ik hem tweemaal onhandig op de hielen trapte, al zei hij niets. Een minuut, en toen nog een, en we bereikten de bosrand en kwamen eindelijk in het kale, rotsige landschap daarbuiten. Pas toen kon ik de beklemmende angst van mij afschudden die mij tussen de bomen achtervolgd had.
Eén keer, toen we wegliepen, leek er opnieuw een jammerend geluid uit de verte te komen, en ik zei tegen mijzelf dat het de wind was – toch was de avond windstil.
Na enige tijd begon Tonnison te praten.
“Hoor eens,” zei hij beslist, “al kreeg ik alle rijkdommen ter wereld, dan nog bracht ik op die plek de nacht niet door. Er is iets onheiligs – iets duivels – aan die plek. Het drong ineens tot me door, vlak nadat jij gesproken had. Het was alsof dat bos vol weerzinwekkende dingen zat – je begrijpt me wel!”
“Ja,” antwoordde ik, en ik keek om naar de plek; maar een glooiing in het terrein onttrok die aan ons oog.
“We hebben het boek nog,” zei ik, en ik stak mijn hand in mijn schoudertas.
“Je hebt het toch veilig opgeborgen?” vroeg hij, plotseling ongerust.
“Ja,” antwoordde ik.
“Misschien,” ging hij verder, “komen we er iets uit te weten als we weer bij de tent zijn. We kunnen trouwens beter haast maken; we moeten nog een heel eind en ik voel er nu weinig voor om hier buiten door het donker verrast te worden.”
Twee uur later bereikten we de tent en begonnen zonder uitstel een maaltijd te bereiden, want sinds onze maaltijd op het middaguur hadden we niets meer gegeten.
Na het avondeten ruimden wij de spullen aan de kant en staken onze pijpen op. Toen vroeg Tonnison mij het manuscript uit mijn schoudertas te halen. Dat deed ik, en omdat wij het niet allebei tegelijk konden lezen, stelde hij voor dat ik het hardop zou voorlezen. “En denk erom,” waarschuwde hij, die mijn gewoonten kende, “niet het halve boek overslaan.”
Maar had hij geweten wat het bevatte, dan zou hij hebben beseft hoe overbodig die raad, voor één keer althans, was. En daar, zittend in de opening van onze kleine tent, begon ik het vreemde verhaal van Het huis aan de grens (want zo luidde de titel van het manuscript) voor te lezen; het wordt op de volgende bladzijden verteld.




