Naar hoofdinhoud

Lees hoofdstuk 1 gratis. Zonder aanmelden.

Zoek op boek of genre
Winkelmandje

Uw winkelmandje is leeg.

Bekijk alle boeken

Menu openen of sluiten
Omslag van het boek ‘De wind in de wilgen’ van Kenneth Grahame

Gratis leesfragment

De wind in de wilgen

Van Kenneth Grahame

Klassieker uit het publieke domein van Kenneth Grahame · Nieuwe vertaling door NovelSpell

Kies uw editie

De wind in de wilgen

Kenneth Grahame

Hoofdstuk 1: De rivieroever

De Mol had de hele ochtend hard gewerkt aan de voorjaarsschoonmaak van zijn huisje. Eerst met bezems, toen met stofdoeken; vervolgens op ladders en trapjes en stoelen, met een kwast en een emmer witkalk; tot hij stof in zijn keel en ogen had, kalkspatten over zijn hele zwarte vacht, een pijnlijke rug en vermoeide armen. De lente roerde zich in de lucht boven hem en in de aarde onder en om hem heen, en drong met haar geest van goddelijke onvrede en verlangen zelfs zijn donkere, nederige huisje binnen. Het was dan ook geen wonder dat hij plotseling zijn kwast op de vloer smeet, “Verdorie!” zei en “Verhip!” en ook nog “Weg met de voorjaarsschoonmaak!” en het huis uit stoof zonder zelfs maar zijn jas aan te trekken. Iets daarboven riep hem op dwingende toon, en hij haastte zich naar het steile tunneltje dat bij hem dienstdeed als de grindoprijlaan van dieren die dichter bij zon en buitenlucht woonden. Dus hij schraapte en krabde en wroette en wurmde, en toen wurmde hij nog eens en wroette en krabde en schraapte, druk in de weer met zijn pootjes en binnensmonds mompelend: “Omhoog maar! Omhoog maar!” tot eindelijk, floep! zijn snuit in het zonlicht stak en hij door het warme gras van een grote wei rolde.

“Dit is heerlijk!” zei hij bij zichzelf. “Dit is beter dan witten!” De zon scheen heet op zijn vacht, zachte briesjes streelden zijn verhitte voorhoofd, en na de afzondering in de kelderwoning waar hij zo lang had geleefd, trof het gezang van blije vogels zijn afgestompte gehoor haast als een luide kreet. Springend met alle vier zijn poten tegelijk, uit levensvreugde en plezier in de lente zonder de bijbehorende schoonmaak, trok hij verder over de wei tot hij bij de heg aan de overkant kwam.

“Halt!” zei een bejaard konijn bij de opening in de heg. “Zes pence voor het voorrecht van de particuliere weg gebruik te maken!” In een oogwenk werd hij omvergelopen door de ongeduldige, laatdunkende Mol, die langs de heg verder draafde en de andere konijnen plaagde, die haastig uit hun holen kwamen gluren om te zien wat dat rumoer te betekenen had. “Uiensaus! Uiensaus!” riep hij spottend, en hij was alweer verdwenen voordat ze een werkelijk afdoend antwoord konden bedenken. Toen begonnen ze allemaal tegen elkaar te mopperen. “Wat ben jij stom! Waarom zei je niet tegen hem –” “Nou, waarom zei jij niet –” “Je had hem eraan kunnen herinneren –” en zo verder, zoals dat gewoonlijk gaat; maar toen was het natuurlijk al veel te laat, zoals altijd.

Het leek allemaal te mooi om waar te zijn. Her en der dwaalde hij bedrijvig door de weilanden, langs de heggen, dwars door de bosjes, en overal zag hij vogels nesten bouwen, bloemen knoppen vormen, bladeren uitlopen – alles blij, en aan het groeien, en druk bezig. En in plaats van last te hebben van een knagend geweten dat hem “witkalk!” toefluisterde, voelde hij op de een of andere manier alleen maar hoe heerlijk het was de enige luiaard te zijn tussen al die nijvere burgers. Per slot van rekening is het fijnste van een vrije dag misschien niet zozeer dat je zelf uitrust, als wel dat je al die anderen druk aan het werk ziet.

Zijn geluk leek hem volmaakt toen hij, doelloos ronddwalend, opeens aan de oever van een rivier stond die volop water voerde. Nog nooit in zijn leven had hij een rivier gezien – dit gladde, kronkelende, welgedane dier, dat voortjoeg en grinnikte, dingen gorgelend vastgreep en lachend weer losliet, om zich op nieuwe speelkameraadjes te storten die zich losschudden en weer gevangen en vastgehouden werden. Alles trilde en rilde – geflonker en geschitter en gesprankel, geruis en gewervel, gebabbel en geborrel. De Mol was betoverd, verrukt, gefascineerd. Naast de Rivier draafde hij voort zoals je, als je nog heel klein bent, naast een man draaft die je met spannende verhalen aan zijn lippen kluistert; en toen hij eindelijk moe was, ging hij op de oever zitten, terwijl de Rivier maar tegen hem bleef babbelen, een kabbelende stoet van de mooiste verhalen ter wereld, uit het hart van de aarde gezonden om ten slotte te worden verteld aan de onverzadigbare zee.

Terwijl hij op het gras zat en naar de overkant van de Rivier keek, viel zijn oog op een donker gat in de oever aan de overzijde, vlak boven de waterlijn, en dromerig bedacht hij wat een prettig, knus onderkomen dat zou zijn voor een dier dat weinig nodig had en van een klein maar fijn huis aan de Rivier hield, boven de hoogwaterlijn en ver van lawaai en stof. Terwijl hij keek, leek er diep daarbinnen iets kleins en helders te fonkelen; het verdween en fonkelde toen opnieuw als een piepklein sterretje. Maar op zo’n onwaarschijnlijke plek kon het haast geen ster zijn; en het schitterde te fel en was te klein voor een glimworm. Toen knipoogde het naar hem terwijl hij keek, en gaf daarmee te kennen dat het een oog was; en langzaam begon er een gezichtje omheen te groeien, als een lijst om een schilderij.

Een bruin gezichtje, met snorharen.

Een ernstig, rond gezicht, met dezelfde twinkeling in het oog die het eerst zijn aandacht had getrokken.

Kleine, keurige oren en een dichte, zijdeachtige vacht.

Het was de Waterrat!

De twee dieren stonden elkaar nu behoedzaam aan te kijken.

“Hallo, Mol!” zei de Waterrat.

“Hallo, Rat!” zei de Mol.

“Zou je naar de overkant willen komen?” vroeg de Rat even later.

“O, praten is makkelijk,” zei de Mol wat korzelig; een rivier en het leven aan de waterkant met al zijn gewoonten waren hem immers nog onbekend.

De Rat zei niets, maar bukte zich, maakte een touw los en trok eraan; toen stapte hij lichtvoetig in een bootje dat de Mol nog niet had opgemerkt. Het was vanbuiten blauw geverfd en vanbinnen wit, en precies groot genoeg voor twee dieren; en de Mol verloor er meteen zijn hart aan, al begreep hij nog niet helemaal waar het voor diende.

De Rat roeide met ferme slagen naar de overkant en meerde aan. Toen stak hij zijn voorpoot uit, terwijl de Mol voorzichtig naar beneden stapte. “Steun daar maar op!” zei hij. “Zo, stap maar flink door!” en tot zijn verbazing en verrukking zat de Mol zowaar achter in een echte boot.

“Dit is een prachtige dag geweest!” zei hij, terwijl de Rat afduwde en de roeiriemen weer ter hand nam. “Weet je, ik heb van mijn leven nog nooit in een boot gezeten.”

“Wat?” riep de Rat met open mond. “Nog nooit in een – je hebt nog nooit – nou, ik – wat heb je dan al die tijd uitgevoerd?”

“Is het dan zó fijn?” vroeg de Mol verlegen, al wilde hij het graag geloven, terwijl hij achteroverleunde op zijn zitplaats, de kussens, de riemen, de dollen en alles wat er verder aan fraais bij hoorde bekeek en de boot zachtjes onder zich voelde deinen.

“Fijn? Het is het enige,” zei de Waterrat plechtig, terwijl hij vooroverboog voor zijn volgende slag. “Geloof me, mijn jonge vriend, er is niets – helemaal niets – dat ook maar half zo de moeite waard is als zomaar wat te rommelen in bootjes. Zomaar wat rommelen,” ging hij dromerig verder, “rommelen – in – bootjes; rommelen –”

“Kijk voor je, Rat!” riep de Mol plotseling.

Het was te laat. De boot botste in volle vaart tegen de oever. De dromer, de vrolijke roeier, lag op zijn rug op de bodem van de boot, met zijn hielen in de lucht.

“– in bootjes – of met bootjes,” ging de Rat onverstoorbaar verder, terwijl hij met een genoeglijke lach overeind krabbelde. “In de boot of erbuiten, het maakt niets uit. Niets lijkt er werkelijk toe te doen, dat is nu juist de charme ervan. Of je nu wegkomt of niet; of je je bestemming bereikt of ergens anders uitkomt, of helemaal nergens komt, je bent altijd bezig en je doet nooit iets in het bijzonder; en als je het gedaan hebt, is er altijd weer iets anders te doen, en dat kun je doen als je zin hebt, maar het is veel beter om het te laten. Zeg! Als je vanochtend werkelijk niets anders te doen hebt, zullen we dan samen de Rivier afzakken en er een lange dag van maken?”

De Mol wiebelde van louter geluk met zijn tenen, zette met een zucht van diepe tevredenheid zijn borst uit en leunde zalig achterover in de zachte kussens. “Wat een dag heb ik toch!” zei hij. “Laten we meteen vertrekken!”

“Wacht dan nog heel even!” zei de Rat. Hij haalde het meertouw door een ring in zijn aanlegsteiger, klom zijn hol daarboven in en verscheen even later weer, wankelend onder een bolle rieten picknickmand.

“Schuif die maar onder je voeten,” zei hij tegen de Mol, terwijl hij hem de mand aanreikte. Toen maakte hij het meertouw los en pakte de roeiriemen weer.

“Wat zit erin?” vroeg de Mol, wiebelend van nieuwsgierigheid.

“Er zit koude kip in,” antwoordde de Rat kortweg: “koudetongkoudehamkoudrundvleesingelegdeaugurkensaladeFransebroodjestuinkerssandwichesvleespasteigemberbierlimonadesodawater –”

“O, hou op, hou op!” riep de Mol in verrukking. “Dit is te veel!”

“Vind je dat echt?” vroeg de Rat ernstig. “Het is alleen maar wat ik altijd meeneem op zulke kleine tochtjes; en de andere dieren zeggen altijd tegen me dat ik een gierig beest ben en alles erg krap bemeten heb!”

De Mol hoorde geen woord van wat hij zei. Verzonken in het nieuwe leven dat hij betrad, bedwelmd door de schittering, de rimpelingen, de geuren en geluiden en het zonlicht, liet hij een poot door het water slepen en droomde lange dromen met open ogen. De Waterrat, die brave kleine kerel, roeide gestaag door en liet hem met rust.

“Ik vind je kleren ontzettend mooi, ouwe jongen,” merkte hij op, toen er een halfuur of zo was verstreken. “Ik ga zelf ook eens een zwartfluwelen huiskostuum aanschaffen, zodra ik het kan betalen.”

“Neem me niet kwalijk,” zei de Mol, die zich met moeite herpakte. “Je moet me wel erg onbeleefd vinden; maar dit is allemaal zo nieuw voor me. Dus – dit – is – een – Rivier!”

“De Rivier,” verbeterde de Rat.

“En je woont echt aan de Rivier? Wat een heerlijk leven!”

“Eraan en ermee en erop en erin,” zei de Rat. “De Rivier is me broer en zus, en tantes, en gezelschap, en eten en drinken, en (natuurlijk) waswater. Het is mijn wereld en ik hoef geen andere. Wat de Rivier niet heeft, is het hebben niet waard, en wat de Rivier niet weet, is het weten niet waard. Goeie hemel, wat hebben we samen al niet beleefd! Of het nu winter of zomer is, lente of herfst, er is altijd wel iets leuks en spannends. Als in februari het water hoog staat en mijn kelders en souterrain tot de rand vol staan met drank waar ik niets aan heb, en het bruine water langs het raam van mijn beste slaapkamer stroomt; of juist als het water weer wegzakt en er plekken modder tevoorschijn komen die naar krentencake ruiken, en de biezen en waterplanten de geulen verstoppen, en ik op droge voeten over bijna de hele rivierbedding kan rondscharrelen en verse kost kan vinden, en dingen die achteloze mensen uit hun boot hebben laten vallen!”

“Maar is het soms niet een beetje saai?” waagde de Mol te vragen. “Alleen jij en de Rivier, en niemand anders om een woord mee te wisselen?”

“Niemand anders om – nou, ik mag niet te streng voor je zijn,” zei de Rat toegeeflijk. “Het is nieuw voor je en je weet het natuurlijk niet. Het is tegenwoordig zo druk op de oever dat velen helemaal wegtrekken. O nee, het is bij lange na niet meer wat het geweest is. Otters, ijsvogels, dodaarzen, waterhoentjes, ze zijn hier de hele dag in de weer en willen altijd dat je iets doet – alsof je zelf geen bezigheden had!”

“Wat ligt daar?” vroeg de Mol, terwijl hij met een poot wees naar een strook bos op de achtergrond die aan één kant van de Rivier de weiden donker omlijstte.

“Dat? O, dat is alleen maar het Wilde Woud,” zei de Rat kortaf. “Daar komen wij oeverbewoners niet veel.”

“Zijn dat geen – geen erg aardige lui daar?” vroeg de Mol een tikje zenuwachtig.

“Tja-a,” antwoordde de Rat, “laat eens kijken. De eekhoorns zijn wel in orde. En de konijnen – sommige dan, maar onder konijnen heb je van alles. En dan heb je natuurlijk Das. Die woont er middenin; voor geen geld zou hij ergens anders willen wonen. Beste oude Das! Niemand valt hem lastig. Dat kunnen ze ook maar beter laten,” voegde hij er veelbetekenend aan toe.

“Maar wie zou hem dan lastigvallen?” vroeg de Mol.

“Nou ja, natuurlijk – er – zijn nog anderen,” legde de Rat wat aarzelend uit. “Wezels – en hermelijnen – en vossen – enzovoort. Ze zijn op hun manier best in orde – ik ben heel goed met ze bevriend – we maken een praatje als we elkaar tegenkomen, en zo – maar soms gaan ze over de schreef, dat valt niet te ontkennen, en dan – nou ja, echt vertrouwen kun je ze niet, zo is het nu eenmaal.”

De Mol wist heel goed dat het volkomen tegen de dierenetiquette indruist om over mogelijke moeilijkheden in de toekomst uit te weiden, of er zelfs maar op te zinspelen; dus liet hij het onderwerp rusten.

“En nog voorbij het Wilde Woud?” vroeg hij. “Waar alles blauw en vaag is, en je iets ziet wat misschien heuvels zijn, maar misschien ook niet, en iets als rook boven steden, of zijn het alleen maar voorbijdrijvende wolken?”

“Voorbij het Wilde Woud ligt de Wijde Wereld,” zei de Rat. “En die is van geen belang, voor jou evenmin als voor mij. Ik ben er nooit geweest en ik ga er ook nooit heen, en jij evenmin, als je ook maar een greintje verstand hebt. Begin er alsjeblieft nooit meer over. Zo! Daar is eindelijk onze zijarm, waar we gaan lunchen.”

Ze verlieten de hoofdstroom en voeren nu iets binnen wat op het eerste gezicht een klein, aan alle kanten door land omsloten meer leek. Aan weerszijden liep groen gras af tot aan het water, onder het oppervlak van het stille water glansden bruine, slangachtige boomwortels, terwijl voor hen de zilveren schouder en schuimende val van een stuw, arm in arm met een rusteloos, druipend molenrad, dat op zijn beurt een molenhuis met grijze puntgevels omhooghield, de lucht vulden met een sussend gemurmel, dof en gedempt, waaruit bij vlagen toch vrolijk kleine, heldere stemmetjes opklonken. Het was zo heel mooi dat de Mol alleen maar beide voorpoten kon opheffen en ademloos uitbrengen: “Lieve hemel! Lieve hemel! Lieve hemel!”

De Rat legde de boot langs de oever, maakte haar vast, hielp de nog wat onhandige Mol veilig aan wal en tilde de picknickmand met een zwaai op de kant. De Mol vroeg met aandrang of hij als gunst alles helemaal alleen mocht uitpakken; de Rat stond hem dat maar al te graag toe en ging languit in het gras liggen uitrusten, terwijl zijn opgewonden vriend het tafelkleed uitschudde en uitspreidde, een voor een alle geheimzinnige pakjes tevoorschijn haalde en de inhoud netjes uitstalde, en bij elke nieuwe onthulling weer ademloos “Lieve hemel! Lieve hemel!” uitbracht. Toen alles klaar was, zei de Rat: “Zo, tast toe, ouwe makker!” en de Mol gehoorzaamde maar al te graag, want hij was die ochtend al heel vroeg aan zijn voorjaarsschoonmaak begonnen, zoals mensen dat nu eenmaal doen, en had geen ogenblik gepauzeerd om iets te eten of te drinken; en sinds dat verre ogenblik, dat nu al zoveel dagen geleden leek, had hij heel wat meegemaakt.

“Waar kijk je naar?” zei de Rat even later, toen hun ergste honger wat gestild was en de ogen van de Mol een beetje van het tafelkleed konden afdwalen.

“Ik kijk,” zei de Mol, “naar een spoor van luchtbelletjes dat ik over het water zie trekken. Dat vind ik iets merkwaardigs.”

“Luchtbelletjes? Oho!” zei de Rat, en hij floot vrolijk en uitnodigend.

Een brede, glanzende snuit verscheen boven de oeverrand, en de Otter hees zich op de kant en schudde het water uit zijn vacht.

“Gulzige schavuiten!” merkte hij op, terwijl hij op de etenswaar afging. “Waarom heb je mij niet uitgenodigd, Ratje?”

“Het was een plotselinge inval,” legde de Rat uit. “Trouwens – mijn vriend meneer Mol.”

“Zeer vereerd,” zei de Otter, en de twee dieren waren op slag vrienden.

“Wat een herrie overal!” ging de Otter verder. “Het lijkt wel of de hele wereld vandaag de Rivier op is. Ik ben deze zijarm ingegaan om even rust te vinden, en dan loop ik jullie tegen het lijf! – Of tenminste – neem me niet kwalijk – ik bedoel het niet helemaal zo, hoor.”

Achter hen klonk geritsel uit een heg waarin nog volop blad van vorig jaar hing, en een gestreepte kop, met hoge schouders erachter, gluurde naar hen.

“Kom erbij, oude Das!” riep de Rat.

De Das draafde een paar passen naar voren en bromde toen: “Hm! Gezelschap.” Hij keerde hun de rug toe en verdween uit het zicht.

“Dat is nu precies iets voor hem!” merkte de teleurgestelde Rat op. “Hij kan gewoon geen gezelschap uitstaan! Nu krijgen we hem vandaag niet meer te zien. Nou, vertel eens, wie zijn er op de Rivier?”

“Pad, om er maar één te noemen,” antwoordde de Otter. “In zijn splinternieuwe wedstrijdboot; nieuwe kleren, alles nieuw!”

De twee dieren keken elkaar aan en lachten.

“Eerst was het niets dan zeilen,” zei de Rat. “Toen kreeg hij daar genoeg van en begon hij met punteren. Hij wilde niets anders dan elke dag de hele dag punteren, en een mooie puinhoop maakte hij ervan. Vorig jaar was de woonboot aan de beurt, en we moesten allemaal bij hem op zijn woonboot komen logeren en doen alsof we het fijn vonden. Hij zou de rest van zijn leven op een woonboot doorbrengen. Het is altijd hetzelfde, wat hij ook begint; hij krijgt er genoeg van en begint weer met iets nieuws.”

“En toch zo’n beste kerel,” merkte de Otter peinzend op, “maar geen greintje stabiliteit – vooral in een boot!”

Vanwaar ze zaten, konden ze over het eiland dat hen ervan scheidde een glimp van de hoofdstroom opvangen; en juist op dat ogenblik schoot er een wedstrijdboot in zicht, met een roeier – een kleine, gezette gestalte – die vreselijk spatte en hevig heen en weer zwalkte, maar zijn uiterste best deed. De Rat stond op en riep hem aan, maar Pad – want die was het – schudde zijn hoofd en zette zich met een ernstig gezicht weer aan zijn werk.

“Als hij zo heen en weer zwalkt, ligt hij zo uit de boot,” zei de Rat, terwijl hij weer ging zitten.

“Natuurlijk,” grinnikte de Otter. “Heb ik jullie dat kostelijke verhaal van Pad en de sluiswachter ooit verteld? Het ging zo. Pad. …”

Een verdwaalde eendagsvlieg zwalkte onvast dwars over de stroom, in de beschonken trant van jonge losbollen onder de eendagsvliegen die de wereld ontdekken. Een werveling in het water en een “kloep!” en de eendagsvlieg was niet meer te zien.

De Otter evenmin.

De Mol keek omlaag. De stem klonk hem nog in de oren, maar het gras waarop de Otter languit had gelegen was onmiskenbaar leeg. Tot aan de verre horizon was geen Otter te zien.

Maar opnieuw liep er een spoor van luchtbelletjes over het oppervlak van de Rivier.

De Rat neuriede een wijsje, en de Mol herinnerde zich dat de dierenetiquette elke opmerking verbood over het plotseling verdwijnen van vrienden, op welk ogenblik ook, om welke reden ook of zonder enige reden.

“Nou, nou,” zei de Rat, “ik geloof dat het tijd wordt om te vertrekken. Ik vraag me af wie van ons het beste de picknickmand kan inpakken.” Hij zei het niet alsof hij erg happig was op dat buitenkansje.

“O, laat mij alsjeblieft,” zei de Mol. Dus liet de Rat het hem natuurlijk doen.

De mand inpakken was niet zo prettig als de mand uitpakken. Dat is het nooit. Maar de Mol was vastbesloten overal van te genieten, en al zag hij, net toen hij de mand had ingepakt en stevig had dichtgegespt, een bord dat hem vanuit het gras lag aan te staren, en al wees de Rat, toen het werk nog eens was gedaan, hem op een vork die iedereen had moeten opmerken, en al was er ten slotte, zowaar! het mosterdpotje, waar hij zelf zonder het te weten op had gezeten – toch kwam het karwei op de een of andere manier eindelijk af, zonder dat zijn goede humeur er erg onder leed.

De middagzon zakte steeds lager terwijl de Rat dromerig en rustig naar huis roeide, dichterlijke dingen voor zich heen prevelde en weinig aandacht aan Mol schonk. Maar de Mol zat boordevol eten, en zelfvoldaanheid, en trots, en voelde zich al helemaal thuis in een boot (dacht hij tenminste), en werd bovendien wat rusteloos; en na een poosje zei hij: “Ratje! Toe, ik wil nu roeien!”

De Rat schudde glimlachend zijn hoofd. “Nog niet, mijn jonge vriend,” zei hij. “Wacht tot je een paar lessen hebt gehad. Het is niet zo eenvoudig als het lijkt.”

De Mol zweeg een minuut of twee. Maar hij werd steeds jaloerser op de Rat, die zo krachtig en moeiteloos voortroeide, en zijn trots begon hem in te fluisteren dat hij het net zo goed kon. Hij sprong op en greep de roeiriemen zo plotseling dat de Rat, die over het water uitkeek en nog meer dichterlijke dingen voor zich heen zei, volkomen verrast werd en voor de tweede maal achterover van zijn zitplaats viel, met zijn benen in de lucht, terwijl de triomferende Mol zijn plaats innam en vol zelfvertrouwen de roeiriemen beetpakte.

“Hou op, domme ezel!” riep de Rat vanaf de bodem van de boot. “Je kunt het niet! Je laat ons nog omslaan!”

De Mol zwaaide zijn roeiriemen zwierig naar achteren en deed een geweldige haal naar het water. Hij miste het oppervlak helemaal, zijn benen vlogen boven zijn hoofd uit en hij kwam boven op de languit liggende Rat terecht. In grote schrik greep hij naar de rand van de boot, en het volgende ogenblik – Plons!

De boot sloeg om en daar lag hij te spartelen in de Rivier.

Lieve hemel, wat was het water koud, en o, wat voelde het ontzettend nat! Wat zong het in zijn oren toen hij dieper en dieper en dieper zonk! Wat leek de zon helder en welkom toen hij hoestend en proestend weer bovenkwam! Hoe zwart was zijn wanhoop toen hij voelde dat hij weer wegzonk! Toen greep een stevige poot hem in zijn nekvel. Het was de Rat, en die lachte kennelijk – de Mol kon hem voelen lachen, door de hele arm en de poot van de Rat heen, tot in zijn – Mols – nek.

De Rat pakte een roeiriem en schoof die onder de arm van de Mol; toen deed hij aan de andere kant hetzelfde en duwde, achter hem zwemmend, het hulpeloze dier naar de kant, hees hem eruit en zette hem op de oever, een zompige, papperige klomp ellende.

Toen de Rat hem wat had drooggewreven en een deel van het water uit hem had gewrongen, zei hij: “Zo, ouwe makker! Draaf zo hard als je kunt heen en weer over het jaagpad, tot je weer warm en droog bent, dan duik ik intussen de picknickmand op.”

En zo draafde de treurige Mol, vanbuiten nat en vanbinnen beschaamd, heen en weer tot hij tamelijk droog was, terwijl de Rat weer het water in dook, de boot terughaalde, haar weer recht legde en vastmaakte, zijn drijvende bezittingen stuk voor stuk naar de kant bracht en ten slotte met succes de picknickmand opdook en ermee naar de kant ploeterde.

Toen alles weer klaar was voor vertrek, nam de Mol, slap en terneergeslagen, achter in de boot plaats; en toen ze wegvoeren, zei hij zacht, met een stem die brak van aandoening: “Ratje, mijn edelmoedige vriend! Het spijt me werkelijk heel erg dat ik me zo dwaas en ondankbaar heb gedragen. De moed zinkt me in de schoenen als ik bedenk hoe ik die prachtige picknickmand had kunnen kwijtraken. Ik ben echt een volslagen ezel geweest, dat weet ik. Wil je het voor deze ene keer door de vingers zien en me vergeven, en alles weer laten zijn zoals het was?”

“Dat is al goed, beste kerel!” antwoordde de Rat opgewekt. “Wat is een beetje nattigheid nu voor een Waterrat? Op de meeste dagen ben ik vaker in het water dan erbuiten. Denk er maar niet meer aan; en zeg eens! Ik geloof echt dat je maar eens een tijdje bij me moet komen logeren. Het is er heel eenvoudig en nogal primitief, hoor – heel anders dan het huis van Pad – maar dat heb je nog niet gezien; toch kan ik zorgen dat je het naar je zin hebt. En ik zal je leren roeien en zwemmen, en je zult al gauw even handig op het water zijn als wie van ons ook.”

De Mol was zo geroerd door die vriendelijke woorden dat hij geen woord kon uitbrengen; en hij moest met de rug van zijn poot een paar tranen wegvegen. Maar de Rat keek tactvol de andere kant op, en al gauw fleurde de Mol weer op en kon hij zelfs een paar waterhoentjes stevig van repliek dienen, die onderling stonden te gniffelen om zijn verfomfaaide uiterlijk.

Toen ze thuiskwamen, stookte de Rat een vrolijk vuur in de zitkamer en plantte de Mol in een leunstoel ervoor, nadat hij een kamerjas en pantoffels voor hem van boven had gehaald, en vertelde hem tot het avondeten verhalen over de Rivier. En heel spannend waren die verhalen ook, voor een dier dat onder de grond woonde, zoals Mol. Verhalen over stuwen, en plotselinge overstromingen, en opspringende snoeken, en stoomboten die harde flessen gooiden – er werd tenminste beslist met flessen gegooid, en wel vanaf stoomboten, dus vermoedelijk ook door die stoomboten; en over reigers, die heel kieskeurig waren als het erom ging met wie ze spraken; en over avonturen in afvoerbuizen, en nachtelijke vispartijen met Otter, of verre tochten met Das. Het avondeten was bijzonder gezellig; maar al heel kort daarna moest een vreselijk slaperige Mol door zijn attente gastheer naar boven worden gebracht, naar de beste slaapkamer, waar hij al gauw in diepe rust en tevredenheid zijn hoofd op het kussen legde, wetend dat zijn nieuwe vriend, de Rivier, tegen zijn vensterbank kabbelde.

Deze dag was voor de bevrijde Mol slechts de eerste van vele soortgelijke dagen die, naarmate de zomer vorderde en tot rijpheid kwam, steeds langer werden en volop boeiends te bieden hadden. Hij leerde zwemmen en roeien en deelde in de vreugde van stromend water; en met zijn oor tegen de rietstengels ving hij af en toe iets op van wat de wind zo onophoudelijk in het riet fluisterde.


Cookie- en privacyvoorkeuren

U houdt de controle over uw gegevens

Lees meer over de cookies die we gebruiken en kies welke cookies u toestaat.

  • Deze cookies zijn nodig om de website goed te laten werken, bijvoorbeeld om in te loggen en artikelen aan uw winkelmandje toe te voegen.

  • Deze cookies slaan gegevens over uw activiteiten op om uw volgende bezoek aan de website te personaliseren.

  • Wij en onze partners, waaronder Shopify, gebruiken deze cookies om marketingcommunicatie te optimaliseren en u advertenties op andere websites te tonen.

  • Deze cookies helpen ons te begrijpen hoe u de website gebruikt. We gebruiken deze gegevens om te bepalen wat we kunnen verbeteren.