De gevangene van Zenda
Anthony Hope
Hoofdstuk 1: De Rassendylls – met een enkel woord over de Elphbergs
“Wanneer ga je nu in vredesnaam eens iets doen, Rudolf?” zei de vrouw van mijn broer.
“Mijn beste Rose,” antwoordde ik, terwijl ik mijn eierlepeltje neerlegde, “waarom zou ik in vredesnaam iets moeten doen? Ik heb het goed. Mijn inkomen is haast toereikend voor mijn behoeften (niemands inkomen is ooit helemaal toereikend, dat weet je), en ik geniet een benijdenswaardige maatschappelijke positie: ik ben de broer van lord Burlesdon en de zwager van die bekoorlijke vrouw, zijn gravin. Ziedaar, dat is genoeg!”
“Je bent negenentwintig,” merkte ze op, “en je hebt nog niets anders gedaan dan –”
“Rondzwerven? Dat is waar. Onze familie hoeft niets te doen.”
Deze opmerking van mij ergerde Rose enigszins, want iedereen weet (en daarom kan het geen kwaad dit feit te vermelden) dat haar familie, hoe mooi en ontwikkeld zij zelf ook is, nauwelijks hetzelfde aanzien geniet als de Rassendylls. Ze was niet alleen bekoorlijk, maar bezat ook een groot fortuin, en mijn broer Robert was zo verstandig zich niets aan haar afkomst gelegen te laten liggen. Wat afkomst betreft, zit er trouwens wel enige waarheid in de volgende opmerking van Rose.
“Voorname families zijn doorgaans slechter dan alle andere,” zei ze.
Hierop streek ik over mijn haar: ik wist heel goed wat ze bedoelde.
“Ik ben zo blij dat Robert zwart haar heeft!” riep ze.
Op dat ogenblik kwam Robert (die om zeven uur opstaat en voor het ontbijt werkt) binnen. Hij keek even naar zijn vrouw: er lag een lichte blos op haar wang; hij klopte haar liefkozend op die wang.
“Wat is er, mijn beste?” vroeg hij.
“Ze neemt me kwalijk dat ik niets doe en rood haar heb,” zei ik op gekrenkte toon.
“O, aan zijn haar kan hij natuurlijk niets doen,” gaf Rose toe.
“Die haarkleur komt meestal eenmaal per generatie voor,” zei mijn broer. “Net als de neus. Rudolf heeft ze allebei.”
“Ik wou dat ze niet opdoken,” zei Rose, nog altijd blozend.
“Ik ben er zelf nogal op gesteld,” zei ik, en ik stond op en maakte een buiging voor het portret van gravin Amelia.
De vrouw van mijn broer slaakte een ongeduldige uitroep.
“Ik wou dat je dat schilderij weghaalde, Robert,” zei ze.
“Mijn beste!” riep hij.
“Goeie hemel!” voegde ik eraan toe.
“Dan raakte het misschien in vergetelheid,” ging ze verder.
“Dat zal moeilijk gaan – met Rudolf in de buurt,” zei Robert hoofdschuddend.
“Waarom zou het vergeten moeten worden?” vroeg ik.
“Rudolf!” riep de vrouw van mijn broer uit, terwijl ze heel bekoorlijk bloosde.
Ik lachte en at verder van mijn ei. Ik had de vraag wat ik behoorde te doen (als ik al iets behoorde te doen) tenminste op de lange baan geschoven. Om de discussie af te sluiten – en ook, dat moet ik bekennen, om mijn strenge schoonzusje nog iets verder te tergen – merkte ik op:
“Ik ben er zelf nogal op gesteld een Elphberg te zijn.”
Als ik een verhaal lees, sla ik de verklaringen over; maar zodra ik er zelf een ga schrijven, merk ik dat ik niet buiten een verklaring kan. Het is immers duidelijk dat ik moet verklaren waarom mijn schoonzus zich aan mijn neus en haar ergerde, en waarom ik mijzelf een Elphberg durfde te noemen. Want hoe aanzienlijk de Rassendylls – dat moet ik toch met nadruk verklaren – al vele generaties lang ook zijn, het feit dat men hun bloed in de aderen heeft, geeft natuurlijk op het eerste gezicht nog niet het recht zich op verwantschap met het doorluchtiger geslacht van de Elphbergs te beroemen of er aanspraak op te maken tot dat Koninklijke Huis te behoren. Want welk verband bestaat er tussen Ruritanië en Burlesdon, tussen het paleis in Strelsau of het kasteel van Zenda en nummer 305 aan Park Lane, W.?
Welnu – en ik moet vooraf zeggen dat ik genoodzaakt ben juist dat schandaal op te rakelen dat mijn beste lady Burlesdon zo graag vergeten zou zien – in het jaar 1733, toen George II op de troon zat, er voor het ogenblik vrede heerste en de koning en de prins van Wales nog niet met elkaar overhooplagen, kwam een zekere prins op bezoek aan het Engelse hof, die later de geschiedenis zou ingaan als Rudolf de Derde van Ruritanië. De prins was een lange, knappe jongeman, wiens uiterlijk werd gekenmerkt (of misschien ontsierd, het is niet aan mij dat te zeggen) door een enigszins ongewoon lange, spitse en rechte neus en een bos donkerrood haar – kortom, de neus en het haar waaraan de Elphbergs sinds mensenheugenis te herkennen zijn. Hij bleef enige maanden in Engeland, waar hij uiterst hoffelijk werd ontvangen; toch vertrok hij ten slotte met een enigszins bezoedelde reputatie. Hij vocht namelijk een duel (men vond het bijzonder wellevend van hem dat hij zich niet op zijn rang beriep) met een edelman die in de kringen van die tijd welbekend was, niet alleen om zijn eigen verdiensten, maar ook als de echtgenoot van een zeer mooie vrouw. In dat duel liep prins Rudolf een zware verwonding op, en na zijn herstel werd hij behendig het land uit gesmokkeld door de Ruritaanse ambassadeur, die heel wat met hem te stellen had gehad. De edelman raakte bij het duel niet gewond; maar omdat de ochtend waarop de ontmoeting plaatsvond guur en vochtig was, vatte hij ernstig kou, waar hij niet van herstelde, en stierf hij ongeveer zes maanden na het vertrek van prins Rudolf, zonder de tijd te hebben gevonden zijn verhouding met zijn vrouw te regelen – zij schonk nog eens twee maanden later het leven aan een erfgenaam van de titel en landgoederen van de familie Burlesdon. Deze dame was gravin Amelia, wier portret mijn schoonzus uit de salon aan Park Lane wilde verwijderen; haar echtgenoot was James, vijfde graaf van Burlesdon en tweeëntwintigste baron Rassendyll – beide titels in de Engelse adelstand – en ridder in de Orde van de Kousenband. Rudolf van zijn kant keerde terug naar Ruritanië, trad in het huwelijk en besteeg de troon, waarop zijn afstammelingen in de rechte lijn sindsdien tot op dit ogenblik hebben gezeten – met één korte onderbreking. En ten slotte: wie door de portrettengalerijen op Burlesdon loopt, zal onder de ongeveer vijftig portretten uit de laatste anderhalve eeuw vijf of zes aantreffen, waaronder dat van de zesde graaf, die zich onderscheiden door een lange, spitse, rechte neus en een bos donkerrood haar; die vijf of zes hebben ook blauwe ogen, terwijl bij de Rassendylls donkere ogen vaker voorkomen.
Dat is de verklaring, en ik ben blij dat ik ermee klaar ben: smetten op een eerbiedwaardige stamboom zijn een kies onderwerp, en die erfelijkheid waarvan we zoveel horen is toch zeker de voortreffelijkste roddelaar ter wereld; ze lacht om discretie en schrijft wonderlijke aantekeningen tussen de regels van de “adelsregisters”.
Het zal de lezer opvallen dat mijn schoonzus, met een gebrek aan logica dat uitsluitend aan haarzelf moet hebben gelegen (aangezien we het niet langer op rekening van haar sekse mogen schrijven), mijn uiterlijk haast als een vergrijp beschouwde waarvoor ik verantwoordelijk was, en mij op grond van dat uiterlijke kenteken haastig innerlijke eigenschappen toeschreef waarvan ik met klem verklaar volkomen vrij te zijn; deze onrechtvaardige gevolgtrekking trachtte ze kracht bij te zetten door te wijzen op de nutteloosheid van het leven dat ik tot dusver had geleid. Welnu, hoe dat ook zij, ik had heel wat plezier beleefd en heel wat kennis opgedaan. Ik had op een Duitse school gezeten en aan een Duitse universiteit gestudeerd, en sprak even gemakkelijk en onberispelijk Duits als Engels; in het Frans was ik volkomen thuis; ik kende een mondje Italiaans en genoeg Spaans om in te vloeken. Ik was, geloof ik, een sterk, zij het weinig verfijnd schermer en een goed schutter. Ik kon alles berijden wat een rug had om op te zitten; en een koeler hoofd dan het mijne was nauwelijks te vinden, ondanks de vlammende haardos die het bedekte. Als u zegt dat ik mijn tijd aan nuttige arbeid had behoren te besteden, heb ik geen verweer en kan ik alleen zeggen dat mijn ouders mij geen tweeduizend pond per jaar en een zwerversaard hadden mogen nalaten.
“Het verschil tussen jou en Robert,” zei mijn schoonzus, die vaak (God zegene haar!) vanaf een podium het woord voert en nog vaker spreekt alsof ze erop staat, “is dat hij de plichten van zijn positie onderkent en jij de kansen van de jouwe ziet.”
“Voor een ondernemend man, mijn beste Rose,” antwoordde ik, “zijn kansen plichten.”
“Onzin!” zei ze met een rukje van haar hoofd; en even later ging ze verder: “Nu biedt sir Jacob Borrodaile je precies iets aan wat jij misschien aankunt.”
“Duizendmaal dank!” mompelde ik.
“Over zes maanden wordt hij ambassadeur, en Robert zegt zeker te weten dat hij je als attaché zal meenemen. Neem het toch aan, Rudolf – om mij een plezier te doen.”
Wanneer mijn schoonzus het zo stelt, haar mooie wenkbrauwen fronst, haar kleine handen wringt en een weemoedige blik krijgt, en dat alles om een luie deugniet als ik, voor wie zij niet van nature verantwoordelijk is, dan begint mijn geweten te knagen. Bovendien meende ik dat ik mij in de voorgestelde betrekking de tijd wellicht redelijk aangenaam zou kunnen verdrijven. Daarom zei ik:
“Mijn beste zuster, als er over zes maanden geen onvoorziene belemmering is gerezen en sir Jacob mij uitnodigt, mag ik hangen als ik niet met sir Jacob meega!”
“O, Rudolf, wat goed van je! Daar ben ik blij om!”
“Waar gaat hij naartoe?”
“Dat weet hij nog niet; maar het wordt beslist een mooie ambassade.”
“Mevrouw,” zei ik, “voor jou ga ik, al is het maar een armzalig gezantschap. Als ik iets doe, doe ik het niet half.”
Daarmee had ik dus mijn belofte gegeven; maar zes maanden zijn zes maanden en lijken een eeuwigheid, en aangezien ze mij nog scheidden van mijn toekomstige vlijt (attachés zijn, neem ik aan, vlijtig; maar ik weet het niet, want ik ben nooit attaché van sir Jacob of van wie dan ook geworden), zocht ik naar een aantrekkelijke manier om ze door te brengen. En opeens kwam ik op het idee Ruritanië te bezoeken. Het lijkt misschien vreemd dat ik dat land nog nooit had bezocht; maar mijn vader (ondanks een heimelijke voorliefde voor de Elphbergs, die hem ertoe had gebracht mij, zijn tweede zoon, de beroemde Elphbergnaam Rudolf te geven) had er altijd bezwaar tegen gehad dat ik erheen zou gaan, en sinds zijn dood had mijn broer, aangespoord door Rose, zich aangesloten bij de familietraditie die voorschreef dat men met een ruime boog om dat land heen diende te gaan. Maar nauwelijks was Ruritanië mij te binnen geschoten of ik brandde van nieuwsgierigheid om het te zien. Rood haar en lange neuzen zijn tenslotte niet voorbehouden aan het Huis Elphberg, en het oude verhaal leek me een bespottelijk zwakke reden om mijzelf de kennismaking te ontzeggen met een hoogst interessant en belangrijk koninkrijk, dat in de Europese geschiedenis een niet geringe rol had gespeeld en dat onder het bewind van een jonge, energieke vorst, zoals de nieuwe koning naar verluidde was, opnieuw zou kunnen doen. Mijn besluit stond vast toen ik in The Times las dat Rudolf de Vijfde binnen drie weken in Strelsau gekroond zou worden en dat die plechtigheid met grote luister gepaard zou gaan. Onmiddellijk besloot ik daarbij te zijn en begon ik met mijn voorbereidingen. Maar aangezien het nooit mijn gewoonte is geweest mijn verwanten mijn reisroute mee te delen en ik in dit geval weerstand tegen mijn plannen verwachtte, liet ik weten dat ik wat ging rondzwerven in Tirol – waar ik al vaak was geweest – en bezwoer ik de toorn van Rose met de verklaring dat ik van plan was mij te verdiepen in de politieke en maatschappelijke vraagstukken van de belangwekkende gemeenschap die in die streek woont.
“Misschien,” liet ik geheimzinnig doorschemeren, “levert die reis nog iets op.”
“Wat bedoel je?” vroeg ze.
“Wel,” zei ik achteloos, “er lijkt een leemte te zijn die opgevuld zou kunnen worden met een uitputtend werk over –”
“O! Ga je een boek schrijven?” riep ze, en ze klapte in haar handen. “Dat zou prachtig zijn, nietwaar, Robert?”
“Dat is tegenwoordig de beste aanbeveling voor een politieke loopbaan,” merkte mijn broer op, die zich op deze wijze overigens al verscheidene malen heeft aanbevolen. Burlesdon over oude theorieën en hedendaagse feiten en De uiteindelijke uitkomst, door een student in de staatkunde, zijn beide hoog aangeschreven werken.
“Ik geloof dat je gelijk hebt, Bob, mijn jongen,” zei ik.
“Beloof dan nu dat je het zult doen,” zei Rose ernstig.
“Nee, dat beloof ik niet; maar als ik genoeg stof vind, doe ik het.”
“Dat is redelijk,” zei Robert.
“O, die stof doet er toch niet toe!” zei ze pruilend.
Maar ditmaal kreeg ze niet meer dan een voorwaardelijke belofte van mij los. Om de waarheid te zeggen, ik zou er een flinke som om hebben verwed dat het verhaal van mijn reis die zomer geen papier zou bekladden en geen enkele pen zou bederven. En daaruit blijkt hoe weinig wij weten van wat de toekomst brengt; want hier zit ik dan mijn voorwaardelijke belofte na te komen en, zoals ik nooit had gedacht te zullen doen, een boek te schrijven – hoewel het nauwelijks als aanbeveling voor een politieke loopbaan zal kunnen dienen en geen zier met Tirol te maken heeft.
Ook zou het lady Burlesdon, vrees ik, niet bevallen als ik het aan haar kritische blik blootstelde – een stap die ik niet van plan ben te zetten.




