Het blauwe kasteel
L. M. Montgomery
Hoofdstuk 1
Als het op een zekere meimorgen niet had geregend, zou het hele leven van Valancy Stirling volkomen anders zijn verlopen. Ze zou met de rest van haar familie naar de verlovingspicknick van tante Wellington zijn gegaan en dokter Trent zou naar Montreal zijn vertrokken. Maar het regende wel, en u zult horen wat haar daardoor overkwam.
Valancy werd vroeg wakker, in het levenloze, hopeloze uur vlak voor de dageraad. Ze had niet erg goed geslapen. Soms slaap je nu eenmaal slecht als je de volgende dag negenentwintig wordt en nog ongetrouwd bent, in een gemeenschap en familiekring waar een ongetrouwde vrouw eenvoudigweg iemand is die geen man heeft weten te krijgen.
Deerwood en de Stirlings hadden Valancy allang tot de hopeloze oude vrijsters gerekend. Maar Valancy zelf had nooit helemaal dat ene armzalige sprankje hoop opgegeven waar ze zich voor schaamde: dat de Romantiek ook haar nog zou vinden – nooit, tot deze natte, afschuwelijke ochtend, waarop ze wakker werd met het besef dat ze negenentwintig was en geen man naar haar dong.
Ja, daar school de pijn. Valancy vond het niet zo erg om een oude vrijster te zijn. Per slot van rekening, dacht ze, kon een bestaan als oude vrijster onmogelijk zo vreselijk zijn als een huwelijk met een oom Wellington of een oom Benjamin, of zelfs een oom Herbert. Wat haar pijn deed, was dat ze nooit de kans had gehad iets anders dan een oude vrijster te worden. Geen man had ooit naar haar verlangd.
De tranen sprongen haar in de ogen terwijl ze daar alleen lag in het duister dat vaag begon te vergrijzen. Om twee redenen durfde ze niet zo hard te huilen als ze wilde. Ze was bang dat het huilen opnieuw een aanval van die pijn rond haar hart zou uitlokken. Nadat ze in bed was gaan liggen, had ze er nog een gehad – wat erger dan alle vorige. En ze was bang dat haar moeder bij het ontbijt haar rode ogen zou opmerken en haar als een mug zou blijven belagen met pietluttige vragen over de oorzaak ervan.
“Stel nu eens,” dacht Valancy met een akelige grijns, “dat ik de zuivere waarheid zei: ‘Ik huil omdat ik niet aan de man kan komen.’ Wat zou moeder ontzet zijn – terwijl ze zich toch elke dag van haar leven schaamt voor haar oude vrijster van een dochter.”
Maar natuurlijk moest de schijn worden opgehouden. “Het is niet,” kon Valancy haar moeder al op haar preutse, gebiedende toon horen verklaren, “het is niet betamelijk voor een meisje om aan mannen te denken.”
Bij de gedachte aan het gezicht dat haar moeder zou trekken, moest Valancy lachen – want ze bezat een gevoel voor humor waarvan niemand in haar familie iets vermoedde. Er was trouwens heel wat aan Valancy waarvan niemand iets vermoedde. Maar haar lach was heel oppervlakkig en al gauw lag ze daar weer, een ineengedoken, machteloos figuurtje, luisterend naar de stromende regen buiten en met een misselijke afkeer kijkend naar het kille, onbarmhartige licht dat haar lelijke, armoedige kamer binnensloop.
Ze kende de lelijkheid van die kamer door en door – kende haar en haatte haar. De geelgeverfde vloer, met naast het bed één afschuwelijk, “gehaakt” kleedje, waarop een potsierlijke, “gehaakte” hond haar altijd zat aan te grijnzen wanneer ze wakker werd; het verschoten, donkerrode behang; het plafond, verkleurd door vroegere lekkages en doorkruist met barsten; het smalle, benepen wastafeltje; de sierstrook van bruin papier met paarse rozen erop; de vlekkerige oude spiegel met een barst er dwars doorheen, gestut op de povere kaptafel; de pot met stokoude potpourri die haar moeder in haar mythische wittebroodsweken had gemaakt; het met schelpen beplakte doosje met de opengebarsten hoek, dat nicht Stickles in haar even mythische meisjesjaren had gemaakt; het met kralen versierde speldenkussen waarvan de helft van de kralenfranje ontbrak; de ene stijve, gele stoel; de oude, verbleekte spreuk, “Heengegaan maar niet vergeten”, met gekleurd garen geborduurd rondom het grimmige oude gezicht van overgrootmoeder Stirling; de oude foto’s van bejaarde familieleden, allang verbannen uit de kamers beneden. Slechts twee afbeeldingen stelden geen familieleden voor. De ene was een oude kleurendruk van een jong hondje dat in de regen voor een deur op de stoep zat. Die prent maakte Valancy altijd ongelukkig. Dat verlaten hondje, ineengedoken op de stoep in de striemende regen! Waarom deed niemand de deur open om hem binnen te laten? De andere afbeelding was een verbleekte gravure in een passe-partout, van koningin Louise die een trap afdaalde, die tante Wellington haar met gulle hand op haar tiende verjaardag had geschonken. Negentien jaar lang had ze ernaar gekeken en haar gehaat, die mooie, zelfgenoegzame, met zichzelf ingenomen koningin Louise. Maar ze had de prent nooit durven vernielen of weghalen. Moeder en nicht Stickles zouden ontzet zijn geweest, of, zoals Valancy het oneerbiedig in gedachten uitdrukte, een toeval hebben gekregen.
Natuurlijk was elke kamer in het huis lelijk. Maar beneden werd de schijn nog enigszins opgehouden. Er was geen geld voor kamers die niemand ooit zag. Valancy had soms het gevoel dat ze zelf wel iets van haar kamer had kunnen maken, zelfs zonder geld, als ze maar mocht. Maar haar moeder had elk schuchter voorstel afgewezen en Valancy drong niet aan. Valancy drong nooit aan. Ze durfde niet. Haar moeder kon geen tegenspraak verdragen. Als mevrouw Stirling zich beledigd voelde, kon ze dagenlang mokken, met de air van een gekrenkte hertogin.
Het enige wat Valancy aan haar kamer beviel, was dat ze er ’s nachts alleen kon zijn om te huilen als ze wilde.
Maar wat deed het er per slot van rekening toe of een kamer lelijk was, als je er alleen sliep en je aankleedde? Valancy mocht nooit alleen op haar kamer blijven om iets anders te doen. Mensen die alleen wilden zijn, konden daar volgens mevrouw Frederick Stirling en nicht Stickles alleen maar sinistere bedoelingen mee hebben. Maar haar kamer in het Blauwe Kasteel was in elk opzicht zoals een kamer moest zijn.
Valancy, in het werkelijke leven zo geïntimideerd en onderworpen, zo overheerst en gekleineerd, leefde zich in haar dagdromen doorgaans heerlijk uit. Niemand in de familie Stirling of haar vertakkingen vermoedde dit, haar moeder en nicht Stickles allerminst. Ze wisten niet dat Valancy twee huizen had – de lelijke rode bakstenen doos in Elm Street die haar thuis was, en het Blauwe Kasteel in Spanje. In gedachten woonde Valancy al zolang ze zich kon herinneren in het Blauwe Kasteel. Ze was nog maar een heel klein kind geweest toen ze ontdekte dat het haar toebehoorde. Telkens als ze haar ogen sloot, zag ze het helder voor zich, met zijn torentjes en vaandels op de met dennen begroeide bergtop, gehuld in zijn ijle, blauwe schoonheid, tegen de hemel bij zonsondergang boven een mooi en onbekend land. Alles wat wonderbaarlijk en mooi was, bevond zich in dat kasteel. Juwelen die koninginnen hadden kunnen dragen; gewaden van maanlicht en vuur; rustbedden van rozen en goud; lange trappen met lage marmeren treden, met grote, witte urnen en met slanke, in nevelen gehulde jonkvrouwen die de trappen op- en afgingen; binnenhoven met marmeren zuilen, waar glinsterende fonteinen neerklaterden en nachtegalen tussen de mirten zongen; spiegelzalen waarin alleen knappe ridders en mooie vrouwen weerkaatsten – zijzelf de allermooiste, voor wier blik mannen stierven. Het enige wat haar door de verveling van haar dagen heen hielp, was de hoop zich ’s avonds aan een droomroes te kunnen overgeven. De meeste Stirlings, zo niet allemaal, zouden van ontzetting zijn gestorven als ze ook maar de helft hadden geweten van wat Valancy in haar Blauwe Kasteel deed.
Om te beginnen had ze er heel wat minnaars. O, steeds maar één tegelijk. Eén die haar het hof maakte met alle romantische hartstocht van de riddertijd en haar na lange toewijding en vele stoutmoedige heldendaden voor zich won, en met wie ze met pracht en praal in het huwelijk trad in de grote, met vaandels behangen kapel van het Blauwe Kasteel.
Toen ze twaalf was, was deze minnaar een blonde knaap met gouden krullen en hemelsblauwe ogen. Toen ze vijftien was, was hij lang en donker en bleek, maar uiteraard nog altijd knap. Toen ze twintig was, was hij ascetisch, dromerig, vergeestelijkt. Toen ze vijfentwintig was, had hij een scherpgetekende, ietwat grimmige kaaklijn en een eerder krachtig en ruig dan knap gezicht. Valancy werd in haar Blauwe Kasteel nooit ouder dan vijfentwintig, maar sinds kort – heel kort – had haar held roodachtig, goudbruin haar, een scheve glimlach en een geheimzinnig verleden.
Ik beweer niet dat Valancy die minnaars opzettelijk vermoordde als ze hun ontgroeid was. De een vervaagde eenvoudigweg zodra een ander verscheen. Wat dat betreft gaat alles heel gemakkelijk in Blauwe Kastelen.
Maar op deze ochtend van de dag die haar lot zou bepalen, kon Valancy de sleutel van haar Blauwe Kasteel niet vinden. De werkelijkheid drukte te zwaar op haar en zat haar op de hielen als een keffend hondje dat haar gek maakte. Ze was negenentwintig, eenzaam, onbegeerd, onaantrekkelijk – het enige lelijke meisje in een knappe familie, zonder verleden en zonder toekomst. Zover ze terug kon kijken, was het leven grauw en kleurloos geweest, zonder ook maar ergens één karmozijnrode of purperen vlek. Zover ze vooruit kon kijken, leek het zeker zo te zullen blijven tot ze niets meer was dan een eenzaam, klein verdord blad dat zich aan een winterse tak vastklampte. Het ogenblik waarop een vrouw beseft dat ze niets heeft om voor te leven – geen liefde, geen plicht, geen doel en geen hoop – is voor haar zo bitter als de dood.
“En ik moet maar blijven leven, omdat ik er niet mee kan ophouden. Misschien moet ik wel tachtig jaar leven,” dacht Valancy in een soort paniek. “We worden allemaal afschuwelijk oud. Ik word misselijk als ik eraan denk.”
Ze was blij dat het regende – of liever, het gaf haar een mistroostige voldoening dat het regende. Vandaag zou er geen picknick zijn. Die jaarlijkse picknick, waarmee tante en oom Wellington – men dacht altijd in die volgorde aan hen – steevast vierden dat ze zich dertig jaar eerder op een picknick hadden verloofd, was de laatste jaren voor Valancy een ware nachtmerrie geweest. Door een duivels toeval viel die op haar verjaardag en sinds ze de vijfentwintig gepasseerd was, liet niemand haar dat vergeten.
Hoezeer ze er ook een hekel aan had om naar de picknick te gaan, het zou nooit bij haar zijn opgekomen zich ertegen te verzetten. Er leek niets opstandigs in haar aard te zitten. En ze wist precies wat iedereen op de picknick tegen haar zou zeggen. Oom Wellington, aan wie ze een hekel had en op wie ze neerkeek, hoewel hij het hoogste ideaal van de Stirlings had verwezenlijkt, “geld trouwen”, zou haar luid fluisterend vragen: “Nog geen trouwplannen, lieve schat?” en dan losbarsten in het gebulder van de lach waarmee hij zijn flauwe opmerkingen steevast besloot. Tante Wellington, voor wie Valancy een slaafs ontzag had, zou haar vertellen over Olives nieuwe japon van chiffon en Cecils jongste, liefdevolle brief. Valancy zou net zo blij en belangstellend moeten kijken alsof de japon en de brief van haar waren, anders zou tante Wellington beledigd zijn. En Valancy had allang besloten dat ze liever God beledigde dan tante Wellington, omdat God haar misschien zou vergeven, maar tante Wellington nooit.
Tante Alberta, enorm dik, die de beminnelijke gewoonte had altijd over haar man te spreken als “hij”, alsof hij het enige mannelijke wezen ter wereld was, en die maar niet kon vergeten dat ze in haar jeugd een grote schoonheid was geweest, zou Valancy haar medeleven betuigen vanwege haar vale huid –
“Ik weet niet waarom alle meisjes tegenwoordig zo zonverbrand zijn. Toen ik een meisje was, had ik een huid als rozen en room. Ik gold als het mooiste meisje van Canada, lieve schat.”
Misschien zou oom Herbert niets zeggen – of misschien zou hij schertsend opmerken: “Wat word je toch dik, Doss!” En dan zou iedereen lachen om het uitermate geestige denkbeeld dat de arme, schriele kleine Doss dik werd.
De knappe, plechtige oom James, aan wie Valancy een hekel had maar voor wie ze wel respect had omdat hij zeer schrander heette te zijn en dus het orakel van de familie was – verstand was in de familiekring van de Stirlings niet al te ruim voorhanden – zou met het uilachtige sarcasme waaraan hij zijn reputatie te danken had waarschijnlijk opmerken: “Ik neem aan dat je het tegenwoordig druk hebt met je uitzetkist?”
En oom Benjamin zou tussen zijn piepende grinnikjes door een paar van zijn afschuwelijke raadsels opgeven en zelf beantwoorden.
“Wat is het verschil tussen Doss en een muis?
“De muis wil aan de kaas knagen en Doss wil de heren behagen.”
Valancy had hem dat raadsel al vijftig keer horen opgeven en elke keer had ze iets naar hem willen gooien. Maar ze deed het nooit. Om te beginnen gooiden de Stirlings nu eenmaal niet met dingen; en verder was oom Benjamin een rijke, kinderloze oude weduwnaar, en Valancy was opgevoed in de vreze en vermaning van zijn geld. Als ze hem beledigde, zou hij haar uit zijn testament schrappen – aangenomen dat ze erin stond. Valancy wilde niet uit het testament van oom Benjamin geschrapt worden. Ze was haar hele leven arm geweest en kende de schrijnende bitterheid daarvan. Dus verdroeg ze zijn raadsels en reageerde er zelfs met kleine, gepijnigde glimlachjes op.
Tante Isabel, even bot en onaangenaam als een oostenwind, zou op de een of andere manier kritiek op haar hebben – Valancy kon niet voorspellen hoe, want tante Isabel herhaalde een aanmerking nooit – ze vond iedere keer iets nieuws om je mee te prikken. Tante Isabel ging er prat op dat ze zei wat ze dacht, maar ze vond het minder prettig als anderen tegen haar zeiden wat zij dachten. Valancy zei nooit wat zij dacht.
Nicht Georgiana – genoemd naar haar betovergrootmoeder, die naar George IV was genoemd – zou op klaaglijke toon de namen opsommen van alle familieleden en vrienden die sinds de vorige picknick waren overleden, en zich afvragen “wie van ons nu als eerste zal heengaan”.
De benauwend bekwame tante Mildred zou tegen Valancy eindeloos uitweiden over haar man en haar afschuwelijke wonderbaby’s, omdat ze behalve Valancy niemand zou kunnen vinden die dat verdroeg. Om dezelfde reden zou nicht Gladys – eigenlijk een volle nicht met één generatie verschil, volgens de strenge manier waarop de Stirlings de verwantschappen in hun familie bijhielden – een lange, magere dame die toegaf gevoelig van aard te zijn, tot in bijzonderheden de kwellingen van haar neuritis beschrijven. En Olive, het wondermeisje van de hele familie Stirling, die alles had wat Valancy ontbeerde – schoonheid, populariteit, liefde – zou haar schoonheid etaleren, zich op haar populariteit laten voorstaan en haar diamanten liefdesteken opzichtig laten schitteren voor Valancy’s verblinde, afgunstige ogen.
Van dat alles zou vandaag geen sprake zijn. En er zouden geen theelepeltjes ingepakt hoeven te worden. Het inpakken werd altijd aan Valancy en nicht Stickles overgelaten. En één keer, zes jaar geleden, was er een zilveren theelepeltje uit tante Wellingtons bruidsbestek zoekgeraakt. Dat zilveren theelepeltje werd Valancy eindeloos voor de voeten geworpen. Zijn geest dook als die van Banquo op bij ieder volgend familiefeest.
O ja, Valancy wist precies hoe de picknick zou zijn en ze zegende de regen die haar ervan had gered. Dit jaar zou er geen picknick zijn. Als tante Wellington het niet op de heilige dag zelf kon vieren, zou ze het helemaal niet vieren. De goden, welke er ook mochten zijn, zij dank.
Nu er geen picknick zou zijn, besloot Valancy dat ze, als het ’s middags droog werd, naar de bibliotheek zou gaan om nog een boek van John Foster te halen. Valancy mocht nooit romans lezen, maar de boeken van John Foster waren geen romans. Het waren “boeken over de natuur” – zo had de bibliothecaresse mevrouw Frederick Stirling verteld – “over bossen en vogels en beestjes en dat soort dingen, weet u wel”. Daarom mocht Valancy ze lezen – zij het onder protest, want het was maar al te duidelijk dat ze er te veel plezier aan beleefde. Lezen om je geest te ontwikkelen en je geloof te verdiepen was geoorloofd, zelfs prijzenswaardig, maar een boek dat je plezier gaf was gevaarlijk. Valancy wist niet of ze er wijzer van werd of niet, maar ze voelde vaag dat haar leven er misschien anders had uitgezien als ze jaren geleden al op John Fosters boeken was gestuit. Het was of die boeken haar telkens een glimp lieten opvangen van een wereld die ze eens had kunnen betreden, al was de deur nu voorgoed voor haar vergrendeld. Pas in het afgelopen jaar waren de boeken van John Foster in de bibliotheek van Deerwood opgenomen, hoewel de bibliothecaresse Valancy had verteld dat hij al verscheidene jaren een bekend schrijver was.
“Waar woont hij?” had Valancy gevraagd.
“Niemand weet het. Naar zijn boeken te oordelen moet hij een Canadees zijn, maar meer is er niet te achterhalen. Zijn uitgevers zeggen geen woord. Het is heel goed mogelijk dat John Foster een nom de plume is. Zijn boeken zijn zo populair dat we ze geen ogenblik op de plank kunnen houden, al begrijp ik werkelijk niet waarom de mensen er zo over in vervoering raken.”
“Ik vind ze prachtig,” zei Valancy schuchter.
“O – nou ja –” Juffrouw Clarkson glimlachte op een neerbuigende manier die Valancy’s meningen naar het voorgeborchte verwees. “Ik kan niet zeggen dat ik zelf erg van beestjes houd. Maar Foster schijnt er inderdaad alles van te weten wat er te weten valt.”
Valancy wist evenmin of ze veel van beestjes hield. Het was niet John Fosters haast bovennatuurlijke kennis van wilde dieren en het insectenleven die haar in vervoering bracht. Ze kon nauwelijks zeggen wat het wel was – iets van de prikkelende lokroep van een mysterie dat zich nooit prijsgaf – een vermoeden van een groot geheim, net iets verderop – een ijle, ongrijpbare echo van mooie, vergeten dingen – John Fosters magie viel niet te omschrijven.
Ja, ze zou een nieuw boek van Foster halen. Het was een maand geleden dat ze Disteloogst in huis had gehad, dus daar kon moeder toch zeker geen bezwaar tegen hebben. Valancy had het vier keer gelezen – ze kende hele passages uit haar hoofd.
En – misschien zou ze toch eens met die vreemde pijn rond haar hart naar dokter Trent gaan. Ze had er de laatste tijd vrij vaak last van gehad en de hartkloppingen begonnen hinderlijk te worden, om nog maar te zwijgen van een enkele duizeling en een vreemde kortademigheid. Maar kon ze wel naar hem toe zonder het iemand te vertellen? Het was een hoogst gewaagde gedachte. Geen van de Stirlings raadpleegde ooit een dokter zonder de familieraad bijeen te roepen en de goedkeuring van oom James te krijgen. Daarna gingen ze naar dokter Ambrose Marsh in Port Lawrence, die met achternicht Adelaide Stirling was getrouwd.
Maar Valancy had een hekel aan dokter Ambrose Marsh. En bovendien kon ze niet naar Port Lawrence, vijftien mijl verderop, zonder dat iemand haar bracht. Ze wilde niet dat iemand iets van haar hart zou weten. Er zou zo’n ophef over ontstaan en ieder familielid zou langskomen en het bespreken en haar raad geven en haar tot voorzichtigheid manen en haar waarschuwen en haar gruwelijke verhalen vertellen over oudtantes en neven en nichten in de veertigste graad die “precies hetzelfde hadden gehad” en “zonder de minste waarschuwing dood waren neergevallen, lieve schat”.
Tante Isabel zou zich herinneren dat ze altijd al had gezegd dat Doss eruitzag als een meisje dat last van haar hart zou krijgen – “altijd zo ingevallen en pips”; en oom Wellington zou het als een persoonlijke belediging opvatten, aangezien “nog nooit een Stirling een hartkwaal had gehad”; en Georgiana zou in volkomen hoorbare terzijdes voorspellen dat “die arme, lieve kleine Doss het niet lang meer zal maken, vrees ik”; en nicht Gladys zou zeggen: “Maar mijn hart is al jaren zo”, op een toon die te verstaan gaf dat niemand anders zelfs maar een hart hoorde te hebben; en Olive – Olive zou er alleen maar mooi en hooghartig en walgelijk gezond uitzien, alsof ze wilde zeggen: “Waarom al die ophef over zo’n verlept, overbodig wezen als Doss, terwijl jullie mij hebben?”
Valancy vond dat ze het niemand kon vertellen, tenzij het moest. Ze was er heel zeker van dat er helemaal niets ernstigs met haar hart aan de hand was en dat al het gedoe dat zou volgen als ze erover begon nergens voor nodig was. Ze zou gewoon stilletjes naar dokter Trent gaan, nog diezelfde dag. Wat zijn rekening betrof: ze had de tweehonderd dollar die haar vader op haar geboortedag voor haar op de bank had gezet. Ze mocht zelfs de rente ervan nooit gebruiken, maar ze zou stiekem genoeg geld opnemen om dokter Trent te betalen.
Dokter Trent was een norse, verstrooide oude kerel die onomwonden zei wat hij dacht, maar hij was een erkende autoriteit op het gebied van hartziekten, ook al was hij maar huisarts in het afgelegen Deerwood. Dokter Trent was de zeventig gepasseerd en er deden geruchten de ronde dat hij binnenkort zijn praktijk wilde neerleggen. Niemand uit de familie Stirling was ooit nog naar hem toe gegaan sinds hij tien jaar eerder tegen nicht Gladys had gezegd dat haar neuritis louter inbeelding was en dat ze ervan genoot. Je kon nu eenmaal niet naar een dokter gaan die je volle nicht met één generatie verschil zo beledigde – om nog maar te zwijgen van het feit dat hij presbyteriaan was, terwijl alle Stirlings naar de anglicaanse kerk gingen. Maar Valancy, ingeklemd tussen de duivel van ontrouw aan de familie en de diepe zee van ophef, gekakel en raadgevingen, dacht dat ze het maar eens met de duivel zou wagen.




