Agnes Grey
Anne Brontë
Hoofdstuk 1: De pastorie
Alle waargebeurde verhalen bevatten een les; al is de schat in sommige moeilijk te vinden en, eenmaal gevonden, zo gering dat de droge, verschrompelde kern nauwelijks opweegt tegen de moeite om de noot te kraken. Of dat ook voor mijn verhaal geldt, kan ik nauwelijks beoordelen. Soms denk ik dat het sommigen tot nut en anderen tot vermaak zou kunnen zijn; maar de wereld mag zelf oordelen. Beschut door mijn eigen onbekendheid, door de jaren die zijn verstreken en door enkele verzonnen namen, durf ik de stap te wagen; en ik zal het publiek openhartig voorleggen wat ik zelfs in de innigste vriendschap niet zou prijsgeven.
Mijn vader was een geestelijke in het noorden van Engeland, die terecht de achting genoot van allen die hem kenden; in zijn jongere jaren leefde hij vrij gerieflijk van de gezamenlijke inkomsten uit een kleine predikantsplaats en een bescheiden eigen vermogen. Mijn moeder, die tegen de wens van haar vrienden met hem trouwde, was de dochter van een landjonker en een vrouw met karakter. Tevergeefs hield men haar voor dat zij als vrouw van de arme dominee afstand zou moeten doen van haar rijtuig en haar kamenier, en van alle weelde en verfijning van het rijke leven, die voor haar nauwelijks minder dan eerste levensbehoeften waren. Een rijtuig en een kamenier waren bijzonder gerieflijk; maar zij had, de hemel zij dank, voeten die haar konden dragen en handen om in haar eigen behoeften te voorzien. Een fraai huis en uitgestrekte gronden waren niet te versmaden; maar zij woonde liever met Richard Grey in een huisje dan met enige andere man ter wereld in een paleis.
Toen haar vader merkte dat alle redeneringen vergeefs waren, zei hij ten slotte tegen de geliefden dat ze mochten trouwen als ze dat wilden; maar zijn dochter zou daarmee haar hele vermogen verspelen. Hij verwachtte dat dit hun beider vuur zou bekoelen; maar hij vergiste zich. Mijn vader kende mijn moeders uitzonderlijke waarde te goed om niet te beseffen dat zij op zichzelf al een kostbaar fortuin was: als zij maar zijn nederige haard wilde sieren, zou hij haar graag op welke voorwaarden ook tot vrouw nemen; terwijl zij van haar kant liever met eigen handen werkte dan gescheiden te worden van de man die zij liefhad, voor wiens geluk zij met vreugde zou zorgen en met wie zij nu al één van hart en ziel was. Zo ging haar vermogen de beurs spekken van een verstandiger zuster, die een rijke nabab had getrouwd; en zij ging zich, tot verbazing en meewarig verdriet van allen die haar kenden, begraven in de eenvoudige dorpspastorie tussen de heuvels van ⸻. En toch geloof ik dat u, ondanks dit alles en ondanks mijn moeders krachtige karakter en mijn vaders grillen, heel Engeland zou kunnen afzoeken zonder een gelukkiger paar te vinden.
Van zes kinderen waren mijn zuster Mary en ik de enige twee die de gevaren van de zuigelingentijd en de vroege kinderjaren overleefden. Ik was vijf of zes jaar jonger en werd altijd beschouwd als het kind en de lieveling van het gezin: vader, moeder en zuster droegen er alle drie toe bij mij te verwennen – niet met een dwaze toegeeflijkheid die mij lastig en onhandelbaar zou maken, maar met een voortdurende zorgzaamheid die mij al te hulpeloos en afhankelijk maakte – al te weinig opgewassen tegen de zorgen en woelingen van het leven.
Mary en ik werden in de strengste afzondering opgevoed. Mijn moeder, die in salonkunsten uitblonk, goed onderlegd was en graag bezig bleef, nam ons hele onderwijs op zich, met uitzondering van het Latijn – dat mijn vader ons onderwees – zodat we zelfs nooit naar school gingen; en omdat er in de omgeving geen gezelschapsleven bestond, bleef onze enige omgang met de wereld beperkt tot nu en dan een plechtige theebijeenkomst met de voornaamste boeren en neringdoenden uit de omtrek (alleen om niet het verwijt te krijgen dat we ons te goed achtten voor onze buren), en een jaarlijks bezoek aan onze grootvader van vaderszijde; daar zagen we nooit iemand anders dan hemzelf, onze lieve grootmama, een ongetrouwde tante en twee of drie oudere dames en heren. Soms vermaakte onze moeder ons met verhalen en anekdotes uit haar jonge jaren, die ons kostelijk vermaakten en dikwijls – bij mij althans – een heimelijk verlangen wekten om wat meer van de wereld te zien.
Ze moest wel heel gelukkig zijn geweest, dacht ik: toch leek ze nooit naar het verleden terug te verlangen. Mijn vader echter, die van nature noch gelijkmoedig noch opgewekt was, kwelde zich vaak onnodig met de gedachte aan de offers die zijn lieve vrouw voor hem had gebracht; en hij brak zich eindeloos het hoofd over plannen om zijn kleine vermogen te vergroten, ter wille van haar en ons. Tevergeefs verzekerde mijn moeder hem dat zij volkomen tevreden was, en dat wij allemaal, nu en in de toekomst, ruim genoeg zouden hebben als hij maar wat voor de kinderen opzijlegde: sparen was niet mijn vaders sterke kant. Hij wilde geen schulden maken (mijn moeder waakte er althans zorgvuldig voor dat hij dat niet deed), maar zolang hij geld had, moest hij het uitgeven: hij zag zijn huis graag gerieflijk ingericht, en zijn vrouw en dochters goed gekleed en goed verzorgd; bovendien was hij weldadig van aard en gaf hij graag aan de armen, naar vermogen – of, zoals sommigen wellicht zouden menen, daarboven.
Ten slotte wees een goede vriend hem echter op een manier om zijn eigen vermogen in één slag te verdubbelen en het daarna nog tot ongekende hoogte te doen aangroeien. Deze vriend was een koopman, een ondernemend man met onbetwist talent, die bij zijn handelszaken enigszins werd belemmerd door gebrek aan kapitaal; maar hij stelde grootmoedig voor mijn vader een billijk aandeel in zijn winst te geven, als die hem maar toevertrouwde wat hij kon missen; en hij meende veilig te kunnen beloven dat, welk bedrag mijn vader hem ook in handen gaf, het hem honderd procent winst zou opleveren. Het kleine erfdeel werd spoedig verkocht en de hele opbrengst werd in handen gegeven van de welwillende koopman, die even voortvarend zijn lading inscheepte en zich op zijn reis voorbereidde.
Mijn vader was verrukt over onze steeds rooskleuriger vooruitzichten, en wij allemaal evenzeer. Voorlopig waren wij weliswaar aangewezen op het karige inkomen uit zijn hulppredikantschap; maar mijn vader scheen te vinden dat er geen reden was onze uitgaven daar nauwgezet toe te beperken; en zo leefden we, met een openstaande rekening bij meneer Jackson, nog een bij Smith en een derde bij Hobson, nog gerieflijker dan tevoren: al hield mijn moeder vol dat wij beter binnen de perken konden blijven, omdat onze vooruitzichten op rijkdom uiteindelijk toch onzeker waren, en dat mijn vader zich nooit beknot zou voelen als hij haar maar het hele beheer toevertrouwde; maar ditmaal was hij onverbeterlijk.
Wat hebben Mary en ik gelukkige uren doorgebracht als we met ons handwerk bij het vuur zaten, over de met heide begroeide heuvels zwierven of onder de treurberk luierden (de enige boom van enige omvang in de tuin), en praatten over het geluk dat ons en onze ouders wachtte, over wat we zouden doen en zien en bezitten; terwijl ons fraaie bouwwerk op geen hechtere grondslag rustte dan de rijkdom die ons naar verwachting zou toevloeien dankzij het welslagen van de speculaties van de brave koopman. Onze vader maakte het bijna even bont als wij; alleen deed hij alsof hij het niet zo ernstig meende: zijn blijde hoop en rooskleurige verwachtingen verwoordde hij in grapjes en vrolijke kwinkslagen, die ik altijd buitengewoon geestig en vermakelijk vond. Onze moeder lachte van vreugde toen zij hem zo hoopvol en gelukkig zag: maar toch vreesde zij dat hij zijn hart er al te zeer op zette; en eens hoorde ik haar, toen zij de kamer verliet, fluisteren: “God geve dat hij niet teleurgesteld wordt! Ik weet niet hoe hij dat zou dragen.”
Teleurgesteld werd hij; en bitter ook. Als een donderslag trof ons allen het bericht dat het schip dat ons fortuin vervoerde, schipbreuk had geleden en met zijn hele lading, verscheidene bemanningsleden en de ongelukkige koopman zelf naar de bodem was gezonken. Ik treurde om hem; ik treurde om de ineenstorting van al onze luchtkastelen: maar met de veerkracht van de jeugd kwam ik de schok weldra te boven.
Rijkdom mocht dan aanlokkelijk zijn, armoede had voor een onervaren meisje als ik niets afschrikwekkends. Eerlijk gezegd had de gedachte dat we in het nauw werden gedreven en op eigen krachten aangewezen raakten zelfs iets opwindends. Ik wenste alleen dat papa, mama en Mary er precies zo over dachten als ik; dan konden we, in plaats van te treuren over voorbije rampspoed, allemaal opgewekt aan het werk gaan om de gevolgen ervan te verhelpen; en hoe groter de moeilijkheden en hoe zwaarder onze huidige ontberingen, des te blijmoediger moesten we die ontberingen dragen en des te krachtiger die moeilijkheden bestrijden.
Mary klaagde niet, maar tobde onophoudelijk over het ongeluk en verviel in een neerslachtigheid waaruit ik haar met al mijn pogingen niet kon opbeuren. Ik kreeg haar met geen mogelijkheid zover dat zij er net als ik de zonnige kant van zag; en ik was trouwens zo bang dat men mij kinderlijke lichtzinnigheid of botte ongevoeligheid zou verwijten, dat ik de meeste van mijn hoopvolle denkbeelden en bemoedigende gedachten zorgvuldig voor me hield; ik wist maar al te goed dat ze geen waardering zouden vinden.
Mijn moeder dacht er alleen aan mijn vader te troosten, onze schulden te betalen en met alle beschikbare middelen op onze uitgaven te bezuinigen; maar mijn vader was volkomen door de ramp overweldigd: de slag ondermijnde zijn gezondheid, zijn krachten en zijn levenslust, en hij won die nooit geheel terug. Tevergeefs trachtte mijn moeder hem op te beuren door een beroep te doen op zijn vroomheid, zijn moed en zijn liefde voor haar en ons. Juist die liefde was zijn grootste kwelling: om ons had hij er zo vurig naar verlangd zijn vermogen te vergroten – onze belangen hadden zijn hoop zo stralend gemaakt en gaven zijn huidige verdriet zoveel bitterheid. Nu kwelde hij zich met wroeging omdat hij mijn moeders raad in de wind had geslagen; die zou hem tenminste de bijkomende schuldenlast hebben bespaard – hij verweet zich vruchteloos dat hij haar uit de waardigheid, het gemak en de weelde van haar vroegere stand had weggehaald om met hem te zwoegen onder de zorgen en lasten van de armoede. Het was gal en alsem voor zijn ziel om die schitterende vrouw, zo bedreven in de salonkunsten, eens zo omworven en bewonderd, veranderd te zien in een bedrijvige huisvrouw die alles regelde en wier hoofd en handen voortdurend in beslag werden genomen door huishoudelijk werk en de zorg om zuinig rond te komen. Zelfs de bereidwilligheid waarmee zij deze plichten vervulde, de blijmoedigheid waarmee zij de tegenspoed droeg, en de goedheid die haar ervan weerhield hem ook maar het geringste verwijt te maken, wist deze vindingrijke zelfkweller zo te verdraaien dat alles zijn lijden nog verergerde. Zo ondermijnde de geest het lichaam en ontregelde het zenuwstelsel, dat op zijn beurt het getob nog vergrootte, totdat door die wisselwerking zijn gezondheid ernstig was aangetast; en geen van ons kon hem ervan overtuigen dat onze toestand nog niet half zo somber, zo volkomen hopeloos was als zijn ziekelijke verbeelding hem voorspiegelde.
De nuttige ponyfaëton werd verkocht, samen met de stevige, goed doorvoede pony – de oude lieveling die we ons stellig hadden voorgenomen een rustige oude dag te bezorgen en nooit van de hand te doen; het kleine koetshuis en de stal werden verhuurd; de jonge knecht en de bekwaamste van de twee dienstmeisjes (die ook de duurste was) werden ontslagen. Onze kleren werden versteld, gekeerd en gestopt tot op de grens van wat nog toonbaar was; ons eten, altijd al eenvoudig, werd nu soberder dan ooit – behalve mijn vaders lievelingsgerechten; op onze kolen en kaarsen werd pijnlijk beknibbeld – de twee kaarsen werden teruggebracht tot één, en ook die werd uiterst spaarzaam gebruikt; met de kolen in het halflege haardrooster werd zorgvuldig omgesprongen, vooral wanneer mijn vader voor zijn werk in de parochie buitenshuis was of door ziekte het bed moest houden – dan zaten we met onze voeten op het haardhek, schraapten van tijd tot tijd de uitdovende sintels bijeen en strooiden er nu en dan een klein beetje kolenstof en stukjes kool over, net genoeg om het vuur aan te houden. Onze tapijten sleten op den duur tot op de draad en werden nog meer gelapt en gestopt dan onze kleren. Om de kosten van een tuinman uit te sparen, namen Mary en ik het onderhoud van de tuin op ons; en al het kookwerk en huishoudelijk werk dat één dienstmeisje niet gemakkelijk af kon, werd door mijn moeder en zuster gedaan, met af en toe een beetje hulp van mij: slechts een beetje, want al was ik in mijn eigen ogen een vrouw, in de hunne was ik nog een kind; en zoals de meeste bedrijvige vrouwen die de zaken stevig in handen hadden, was mijn moeder niet met erg bedrijvige dochters gezegend, en wel om deze reden: zij was zelf zo bekwaam en vlijtig dat zij nooit in de verleiding kwam haar zaken aan een ander over te laten, maar integendeel bereid was niet alleen voor zichzelf, maar ook voor anderen te handelen en te denken; en wat er ook moest gebeuren, zij dacht al gauw dat niemand het zo goed kon als zijzelf. Wanneer ik haar mijn hulp aanbood, kreeg ik dus een antwoord als: “Nee, liefje, dat kun je heus niet – er is hier niets wat jij kunt doen. Ga je zuster helpen, of haal haar over een wandeling met je te maken – zeg haar dat ze niet zoveel moet zitten en steeds maar in huis blijven, zoals ze doet – geen wonder dat ze er mager en neerslachtig uitziet.”
“Mary, mama zegt dat ik je moet helpen, of je moet overhalen een wandeling met me te maken; ze zegt dat het geen wonder is dat je er mager en neerslachtig uitziet als je steeds in huis zit.”
“Helpen kun je me niet, Agnes; en ik kan niet met jou gaan wandelen – ik heb veel te veel te doen.”
“Laat me je dan helpen.”
“Dat kun je werkelijk niet, lief kind. Ga je muziek oefenen of met het katje spelen.”
Er was altijd naaiwerk genoeg te doen; maar mij was niet geleerd ook maar één kledingstuk te knippen, en buiten het naaien van eenvoudige zomen en naden kon ik zelfs op dat gebied maar weinig; want zij beweerden allebei dat het veel gemakkelijker was het werk zelf te doen dan het voor mij klaar te leggen; bovendien zagen ze liever dat ik mij aan mijn studie wijdde of mij vermaakte – er zou nog tijd genoeg zijn om als een ernstige huismoeder over mijn werk gebogen te zitten als mijn lievelingspoesje eenmaal een bedaarde oude kat was geworden. Onder zulke omstandigheden viel mijn nietsdoen wel enigszins te verontschuldigen, al was ik nauwelijks nuttiger dan het katje.
In al onze moeilijkheden heb ik mijn moeder maar één keer over ons geldgebrek horen klagen. Toen de zomer naderde, merkte zij tegenover Mary en mij op: “Wat zou het goed zijn als jullie papa een paar weken in een badplaats kon doorbrengen. Ik ben ervan overtuigd dat de zeelucht en de verandering van omgeving hem onschatbaar veel goed zouden doen. Maar ja, er is geen geld,” voegde zij er zuchtend aan toe. Wij wensten allebei vurig dat het kon en betreurden het zeer dat het niet mogelijk was. “Kom, kom!” zei zij. “Klagen helpt niet. Misschien kunnen we toch nog iets doen om het mogelijk te maken. Mary, je kunt zo mooi tekenen. Wat zou je ervan zeggen als je nog een paar tekeningen in je beste trant maakte, en die samen met de aquarellen die je al gemaakt hebt liet inlijsten, om ze te koop aan te bieden bij een ruimhartige kunsthandelaar die verstand genoeg heeft om hun waarde te zien?”
“Mama, ik zou het heerlijk vinden als u denkt dat ze kunnen worden verkocht; en voor een bedrag dat de moeite waard is.”
“Het is in ieder geval de moeite van het proberen waard, mijn liefje: zorg jij voor de tekeningen, dan zal ik proberen een koper te vinden.”
“Ik wou dat ik iets kon doen,” zei ik.
“Jij, Agnes! Wel, wie weet? Je tekent ook heel aardig: als je iets eenvoudigs als onderwerp kiest, kun je vast wel iets maken dat wij allemaal met trots zullen laten zien.”
“Maar ik heb een ander plan in mijn hoofd, mama, en dat heb ik al heel lang, alleen durfde ik er niet goed over te beginnen.”
“Werkelijk! Vertel ons dan toch wat het is.”
“Ik zou graag gouvernante worden.”
Mijn moeder slaakte een kreet van verbazing en lachte. Mijn zuster liet van verwondering haar werk vallen en riep: “Jij een gouvernante, Agnes! Hoe kom je daar toch bij?”
“Wel! Ik zie daar niets zo heel buitengewoons in. Ik beweer niet dat ik grote meisjes les kan geven; maar kleintjes toch zeker wel – en ik zou het zo graag doen – ik houd zoveel van kinderen. Laat het me toch doen, mama!”
“Maar, lieverd, je hebt nog niet geleerd voor jezelf te zorgen; en kleine kinderen opvoeden vraagt meer inzicht en ervaring dan grotere.”
“Maar, mama, ik ben de achttien al voorbij en kan heel goed voor mezelf zorgen, en ook voor anderen. U weet niet half hoeveel wijsheid en bezonnenheid ik bezit, omdat ik nog nooit op de proef ben gesteld.”
“Bedenk eens,” zei Mary, “wat zou je beginnen in een huis vol vreemden, zonder mij of mama om voor je te spreken en te handelen – terwijl je behalve voor jezelf ook nog voor een stel kinderen moest zorgen, en niemand had bij wie je om raad terechtkon? Je zou niet eens weten welke kleren je aan moest trekken.”
“Je denkt dat ik geen eigen oordeel heb omdat ik altijd doe wat je zegt; maar stel me maar eens op de proef – dat is alles wat ik vraag – en je zult zien wat ik kan.”
Op dat ogenblik kwam mijn vader binnen en kreeg hij te horen waarover wij spraken.
“Wat, mijn kleine Agnes gouvernante!” riep hij, en ondanks zijn neerslachtigheid lachte hij om het idee.
“Ja, papa, zegt u er nu niets tegen: ik zou het zo graag doen, en ik weet zeker dat het me uitstekend zou afgaan.”
“Maar, lieverd, wij zouden je niet kunnen missen.” En er glinsterde een traan in zijn oog toen hij eraan toevoegde: “Nee, nee! Hoe zwaar we ook getroffen zijn, zo ver is het toch nog niet met ons gekomen.”
“O nee!” zei mijn moeder. “Voor zo’n stap bestaat niet de minste noodzaak; het is alleen maar een gril van haarzelf. Dus nu moet je je mond houden, stoute meid; want al ben je nog zo bereid ons te verlaten, je weet heel goed dat wij jou niet kunnen missen.”
Daarmee was ik voor die dag, en voor nog vele dagen daarna, tot zwijgen gebracht; maar helemaal liet ik mijn geliefde plan niet varen. Mary haalde haar tekenbenodigdheden en ging gestaag aan het werk. Ik haalde de mijne ook; maar terwijl ik tekende, dacht ik aan andere dingen.
Wat zou het heerlijk zijn om gouvernante te zijn! De wereld in te trekken; een nieuw leven te beginnen; zelfstandig te handelen; mijn onbenutte vermogens aan het werk te zetten; mijn nog onbekende krachten te beproeven; mijn eigen brood te verdienen, en nog iets om het leven van mijn vader, moeder en zuster te veraangenamen en hen te helpen, terwijl zij bovendien niet langer voor mijn eten en kleding hoefden te zorgen; papa te laten zien wat zijn kleine Agnes kon; mama en Mary ervan te overtuigen dat ik toch niet helemaal het hulpeloze, onnadenkende wezen was waarvoor zij mij hielden. En dan, wat een vreugde als de zorg en de opvoeding van kinderen aan je werden toevertrouwd! Wat anderen ook zeiden, ik voelde dat ik volkomen tegen de taak opgewassen was: de heldere herinnering aan mijn eigen gedachten als jong kind zou mij een zekerder leidraad zijn dan de aanwijzingen van de meest ervaren raadgever. Ik hoefde mij maar van mijn kleine leerlingen te wenden naar mijzelf op hun leeftijd, en ik zou dadelijk weten hoe ik hun vertrouwen en genegenheid moest winnen: hoe ik berouw moest wekken bij wie dwaalde; hoe ik de schuchteren moed kon geven en de bedroefden troosten; hoe ik de beoefening van Deugd mogelijk, Onderricht begerenswaardig en Godsdienst lieflijk en begrijpelijk kon maken.
“ – Heerlijke taak!
Het prille denken te leren ontluiken!”
De tere planten op te kweken en hun knoppen dag na dag te zien ontluiken!
Door zoveel lokkende vooruitzichten gedreven, besloot ik vol te houden; al weerhield de vrees mijn moeder te mishagen of mijn vader verdriet te doen mij er nog verscheidene dagen van het onderwerp weer aan te roeren. Ten slotte begon ik er opnieuw met mijn moeder over, toen wij alleen waren, en na enige moeite beloofde zij zich voor mij in te spannen. Daarna gaf ook mijn vader, zij het met tegenzin, zijn toestemming, en begon mijn lieve, goede moeder, hoewel Mary haar afkeuring nog altijd met zuchten liet blijken, naar een betrekking voor mij uit te zien. Zij schreef aan mijn vaders familieleden en bekeek de advertenties in de kranten – met haar eigen familie had zij al lang alle verkeer verbroken: sinds haar huwelijk was er nooit meer geweest dan nu en dan een vormelijke brief over en weer, en in een aangelegenheid als deze zou zij nooit een beroep op hen hebben gedaan. Maar mijn ouders hadden zich zo lang en zo volledig uit de wereld teruggetrokken dat er vele weken verstreken voordat een geschikte betrekking gevonden kon worden. Eindelijk werd, tot mijn grote vreugde, besloten dat ik de jonge kinderen van een zekere mevrouw Bloomfield onder mijn hoede zou nemen; mijn goede, stijve tante Grey had haar in haar jeugd gekend en verzekerde dat zij een heel aardige vrouw was. Haar man had zich uit de handel teruggetrokken en een zeer behoorlijk vermogen vergaard; maar hij was er niet toe te bewegen de onderwijzeres van zijn kinderen een hoger salaris dan vijfentwintig pond te geven. Ik nam dit bedrag echter graag aan, liever dan de betrekking te weigeren – wat mijn ouders eerder de beste oplossing leek.
Er moesten echter nog enkele weken aan de voorbereidingen worden besteed. Wat leken die weken mij lang, wat duurden ze eindeloos! Toch waren het over het geheel genomen gelukkige weken – vol blijde hoop en vurige verwachtingen. Met welk een bijzondere vreugde hielp ik bij het maken van mijn nieuwe kleren en daarna bij het pakken van mijn koffers! Maar die laatste bezigheid had ook iets bitters; en toen zij achter de rug was – toen alles gereed was voor mijn vertrek de volgende dag en de laatste avond thuis naderde – leek mijn hart plotseling te zwellen van smart. Mijn dierbaren zagen er zo bedroefd uit en spraken zo heel vriendelijk dat ik mijn ogen nauwelijks droog kon houden: toch deed ik nog alsof ik vrolijk was. Ik had met Mary mijn laatste zwerftocht over de heide gemaakt, mijn laatste wandeling door de tuin en rond het huis; ik had samen met haar voor het laatst onze tamme duiven gevoerd – de mooie diertjes die wij geleerd hadden uit onze handen te pikken; ik had tot afscheid over al hun zijdezachte ruggen gestreeld terwijl zij zich op mijn schoot verdrongen. Ik had mijn eigen lievelingen, het paar sneeuwwitte pauwstaartduiven, teder gekust; ik had mijn laatste wijsje op de oude, vertrouwde piano gespeeld en mijn laatste lied voor papa gezongen: niet het allerlaatste, hoopte ik, maar het laatste voor wat mij een heel lange tijd toescheen. En misschien zou ik dit alles een volgende keer met andere gevoelens doen: de omstandigheden konden veranderd zijn, en dit huis zou misschien nooit meer mijn vaste thuis zijn.
Mijn lieve kleine vriendin, het katje, zou zeker veranderd zijn: zij groeide nu al uit tot een mooie kat en zou, wanneer ik terugkwam, zelfs voor een kort bezoek met Kerstmis, hoogstwaarschijnlijk zowel haar speelkameraadje als haar vrolijke streken vergeten zijn. Ik had voor het laatst met haar gestoeid; en toen ik haar zachte, glanzende vacht streelde terwijl zij op mijn schoot spinnend in slaap viel, deed ik dat met een droefheid die ik moeilijk kon verbergen. Toen ik vervolgens bij het slapengaan met Mary naar ons stille kamertje ging, waar mijn laden al waren leeggeruimd en mijn gedeelte van de boekenkast leeg was – en waar zij voortaan alleen zou moeten slapen, in akelige eenzaamheid, zoals zij het noemde – werd mijn hart zwaarder dan ooit: ik had het gevoel dat het zelfzuchtig en verkeerd van me was geweest erop te staan haar te verlaten; en toen ik nog eens naast ons bedje knielde, bad ik vuriger dan ooit tevoren om een zegen voor haar en voor mijn ouders. Om mijn ontroering te verbergen, begroef ik mijn gezicht in mijn handen, die weldra nat waren van tranen. Toen ik opstond, zag ik dat ook zij gehuild had: maar geen van ons beiden zei iets; zwijgend legden wij ons te rusten en kropen dichter tegen elkaar aan in het besef dat het afscheid zo nabij was.
Maar de ochtend bracht nieuwe hoop en moed. Ik moest vroeg vertrekken, zodat het rijtuig dat mij bracht (een sjees, gehuurd bij meneer Smith, de stoffenhandelaar, kruidenier en theehandelaar van het dorp) diezelfde dag terug kon zijn. Ik stond op, waste me, kleedde me aan, at haastig mijn ontbijt, ontving de liefdevolle omhelzingen van mijn vader, moeder en zuster, kuste de kat – tot grote verontwaardiging van Sally, de meid – schudde haar de hand, stapte in de sjees, trok mijn sluier voor mijn gezicht en barstte toen, maar pas toen, in tranen uit. De sjees rolde voort; ik keek om; mijn lieve moeder en zuster stonden nog altijd bij de deur, keken mij na en wuifden mij vaarwel. Ik wuifde terug en bad uit de grond van mijn hart dat God hen mocht zegenen: we reden de heuvel af en ik kon hen niet meer zien.
“Het is een frisse ochtend voor u, juffrouw Agnes,” merkte Smith op; “en een donkere ook; maar we zijn er misschien nog wel voor er echt veel regen valt.”
“Ja, dat hoop ik,” antwoordde ik zo kalm als ik kon.
“Er is vannacht ook al een flinke plens gevallen.”
“Ja.”
“Maar die koude wind houdt het misschien wel tegen.”
“Misschien wel.”
Hiermee was ons gesprek ten einde. We staken het dal over en begonnen de heuvel aan de overkant op te rijden. Terwijl wij moeizaam omhooggingen, keek ik nog eens om; daar was de spits van de dorpskerk, en daarachter de oude grijze pastorie, die zich koesterde in een schuine zonnestraal – het was maar een fletse straal, maar het dorp en de heuvels eromheen lagen alle in sombere schaduw, en ik begroette die zwervende lichtstraal als een gunstig voorteken voor mijn ouderlijk huis. Met gevouwen handen smeekte ik vurig om een zegen voor de bewoners en wendde me haastig af, want ik zag het zonlicht wijken; en zorgvuldig vermeed ik nog eens om te kijken, uit vrees de pastorie net als de rest van het landschap in sombere schaduw te zien liggen.




