Drie mannen in een boot
Jerome K. Jerome
Hoofdstuk 1
Drie zieken – Het lijden van George en Harris – Een slachtoffer van honderdzeven dodelijke kwalen – Nuttige recepten – Een middel tegen leverklachten bij kinderen – We zijn het erover eens dat we overwerkt zijn en rust nodig hebben – Een week op de deinende baren? – George stelt de rivier voor – Montmorency tekent bezwaar aan – Het oorspronkelijke voorstel aangenomen met drie stemmen tegen één.
We waren met ons vieren – George, William Samuel Harris, ikzelf en Montmorency. We zaten op mijn kamer te roken en te praten over hoe slecht we eraan toe waren – in medisch opzicht bedoel ik natuurlijk.
We voelden ons allemaal beroerd en begonnen ons daar behoorlijk ongerust over te maken. Harris zei dat hij soms zulke wonderlijke aanvallen van duizeligheid kreeg dat hij nauwelijks wist wat hij deed; en toen zei George dat hij ook aanvallen van duizeligheid had en nauwelijks wist wat hij deed. Bij mij was het mijn lever die niet in orde was. Ik wist dat het mijn lever was die niet in orde was, want ik had net een reclameblaadje voor gepatenteerde leverpillen gelezen, waarin uitvoerig de verschillende verschijnselen werden beschreven waaraan een mens kon merken dat zijn lever niet in orde was. Ik had ze allemaal.
Het is hoogst merkwaardig, maar ik lees nooit een advertentie voor een gepatenteerd geneesmiddel zonder tot de onvermijdelijke slotsom te komen dat ik lijd aan de daarin besproken ziekte, en wel in haar kwaadaardigste vorm. De diagnose schijnt telkens precies te kloppen met alles wat ik ooit heb gevoeld.
Ik herinner me dat ik op een dag naar het British Museum ging om te lezen over de behandeling van een licht kwaaltje waar ik wat last van had – hooikoorts, meen ik. Ik haalde het boek van de plank en las alles waarvoor ik gekomen was; en toen sloeg ik in een onbewaakt ogenblik achteloos wat bladzijden om en begon op mijn gemak ziekten in het algemeen te bestuderen. Ik weet niet meer in welke kwaal ik me het eerst verdiepte – een of andere verschrikkelijke, verwoestende plaag, dat weet ik wel – en nog voor ik de lijst met “eerste verschijnselen” voor de helft had doorgenomen, drong het tot me door dat ik die ziekte goed en wel te pakken had.
Ik zat een poos verstijfd van ontzetting; toen sloeg ik, lusteloos van wanhoop, opnieuw wat bladzijden om. Ik kwam bij buiktyfus – las de verschijnselen – ontdekte dat ik buiktyfus had, het al maanden moest hebben zonder het te weten – vroeg me af wat ik nog meer had; sloeg sint-vitusdans op – stelde, zoals ik verwacht had, vast dat ik dat ook had – begon belangstelling voor mijn geval te krijgen en besloot het tot op de bodem uit te zoeken, dus begon ik in alfabetische volgorde – las over wisselkoorts en vernam dat ik die aan het krijgen was en dat het acute stadium over een dag of veertien zou beginnen. De ziekte van Bright had ik, ontdekte ik tot mijn opluchting, slechts in een afgezwakte vorm, en wat dat betrof kon ik nog jaren leven. Cholera had ik, met ernstige complicaties; en met difterie scheen ik geboren te zijn. Ik werkte me gewetensvol door alle zesentwintig letters heen, en de enige kwaal die ik, voor zover ik kon nagaan, niet had, was dienstmeisjesknie.
Dat krenkte me aanvankelijk wel een beetje; op de een of andere manier leek het een soort belediging. Waarom had ik geen dienstmeisjesknie? Waarom die onbillijke uitzondering? Na een poos kreeg een minder hebzuchtige stemming echter de overhand. Ik bedacht dat ik alle andere in de farmacologie bekende kwalen had, werd minder zelfzuchtig en besloot het zonder dienstmeisjesknie te stellen. Jicht, in het kwaadaardigste stadium, had me naar het scheen te pakken gekregen zonder dat ik het wist; en aan zymose leed ik kennelijk al van mijn jongensjaren af. Na zymose kwamen er geen ziekten meer, dus besloot ik dat er verder niets met me aan de hand was.
Ik zat te peinzen. Ik bedacht wat een interessant geval ik in medisch opzicht moest zijn, wat een aanwinst ik voor een groep studenten zou zijn! Studenten hoefden niet “de ziekenhuizen af te lopen” als ze mij hadden. Ik was een ziekenhuis in eigen persoon. Ze hoefden alleen maar een rondje om me heen te lopen en daarna hun diploma af te halen.
Toen vroeg ik me af hoelang ik nog te leven had. Ik probeerde mezelf te onderzoeken. Ik voelde mijn pols. Eerst kon ik helemaal geen polsslag voelen. Toen scheen hij opeens op gang te komen. Ik haalde mijn horloge tevoorschijn en hield de tijd bij. Ik kwam uit op honderdzevenenveertig slagen per minuut. Ik probeerde mijn hart te voelen. Ik kon mijn hart niet voelen. Het was opgehouden te kloppen. Ik heb me later laten overtuigen dat het er al die tijd moet hebben gezeten en ook moet hebben geklopt, maar verklaren kan ik het niet. Ik klopte mijn hele voorkant af, van wat ik mijn middel noem tot aan mijn hoofd, en ging ook nog een stukje langs beide zijden en een eindje langs mijn rug omhoog. Maar ik kon niets voelen of horen. Ik probeerde mijn tong te bekijken. Ik stak hem zo ver mogelijk uit, kneep één oog dicht en probeerde hem met het andere te onderzoeken. Ik kon alleen het puntje zien, en het enige wat me dat opleverde, was dat ik er nog zekerder dan tevoren van werd dat ik roodvonk had.
Ik was die leeszaal binnengewandeld als een gelukkig, gezond man. Ik kroop eruit als een afgetakeld wrak.
Ik ging naar mijn dokter. Hij is een oude vriend van me en voelt mijn pols, bekijkt mijn tong en praat over het weer, allemaal voor niets, wanneer ik me verbeeld dat ik ziek ben; dus ik dacht hem een dienst te bewijzen door nu bij hem langs te gaan. “Wat een dokter nodig heeft,” zei ik, “is praktijkervaring. Hij krijgt mij. Met mij zal hij meer praktijkervaring opdoen dan met zeventienhonderd van die gewone, alledaagse patiënten met elk maar één of twee ziekten.” Dus ging ik dadelijk naar hem toe, en hij zei:
“Nou, wat mankeer je?”
Ik zei:
“Ik zal je tijd niet verdoen, beste jongen, door je te vertellen wat mij mankeert. Het leven is kort, en je zou kunnen overlijden voor ik klaar ben. Maar ik zal je vertellen wat mij niet mankeert. Ik heb geen dienstmeisjesknie. Waarom ik geen dienstmeisjesknie heb, kan ik je niet zeggen; maar het feit blijft dat ik die niet heb. Al het andere heb ik echter wel.”
En ik vertelde hem hoe ik het allemaal ontdekt had.
Toen deed hij me open en keek naar binnen, greep mijn pols beet en gaf me vervolgens, toen ik er niet op bedacht was, een klap op mijn borst – een laffe streek, vind ik – en stootte meteen daarna met de zijkant van zijn hoofd tegen me aan. Daarna ging hij zitten en schreef een recept uit, vouwde het op en gaf het mij, en ik stak het in mijn zak en ging naar buiten.
Ik vouwde het niet open. Ik bracht het naar de dichtstbijzijnde apotheek en gaf het af. De man las het en gaf het toen terug.
Hij zei dat hij het niet in voorraad had.
Ik zei:
“U bent toch apotheker?”
Hij zei:
“Ik ben apotheker. Als ik een coöperatief warenhuis en een familiehotel ineen was, kon ik u misschien van dienst zijn. Ik ben maar apotheker, en dat beperkt mijn mogelijkheden.”
Ik las het recept. Er stond:
“1 pond biefstuk, met 1 pint bitterbier
om de 6 uur.
1 wandeling van tien mijl iedere ochtend.
1 bed iedere avond om klokslag 11.
En prop je hoofd niet vol met dingen die je niet begrijpt.”
Ik volgde de aanwijzingen op, met het gelukkige gevolg – voor mij althans – dat mijn leven behouden bleef en nog steeds voortduurt.
In dit geval had ik, om terug te komen op dat reclameblaadje voor leverpillen, onmiskenbaar de verschijnselen, met als voornaamste “een algemene tegenzin in elke vorm van werk”.
Geen woorden kunnen uitdrukken wat ik in dat opzicht te lijden heb. Van mijn prilste kinderjaren af heeft die kwaal mij gekweld. Als jongen liet de ziekte mij haast geen dag met rust. Destijds wisten ze niet dat het mijn lever was. De medische wetenschap was toen lang niet zo ver als nu, en ze schreven het toe aan luiheid.
“Zeg, jij luie kleine duivel, jij,” zeiden ze dan, “kun je niet eens opstaan en iets voor je brood doen?” – zonder natuurlijk te weten dat ik ziek was.
En ze gaven me geen pillen; ze gaven me klappen tegen de zijkant van mijn hoofd. En hoe vreemd het ook mag lijken, die klappen op mijn hoofd genazen me vaak – voorlopig althans. Ik heb meegemaakt dat één klap op mijn hoofd meer uitwerking op mijn lever had en me meer zin gaf om onmiddellijk, op staande voet, zonder verder tijdverlies te gaan doen wat er gedaan moest worden, dan een hele doos pillen nu doet.
Zoals je weet gaat het vaak zo – die eenvoudige, ouderwetse middelen werken soms beter dan al het spul uit de apotheek.
We zaten daar een halfuur en beschreven elkaar onze kwalen. Ik legde George en William Harris uit hoe ik me voelde als ik ’s morgens opstond, en William Harris vertelde ons hoe hij zich voelde als hij naar bed ging; en George stond op het haardkleedje en gaf een knap en indrukwekkend staaltje toneelspel ten beste om te laten zien hoe hij zich ’s nachts voelde.
George verbeeldt zich dat hij ziek is; maar er mankeert hem nooit werkelijk iets, weet je.
Op dat ogenblik klopte mevrouw Poppets op de deur om te vragen of we klaar waren voor het avondeten. We glimlachten treurig naar elkaar en zeiden dat we toch maar beter konden proberen een hapje door te slikken. Harris zei dat een kleinigheid in de maag de ziekte vaak in toom hield; en mevrouw Poppets bracht het dienblad binnen, en we schoven aan tafel en prikten wat in een stukje biefstuk met uien en wat rabarbertaart.
Ik moet toen erg zwak zijn geweest; want ik weet dat ik na het eerste halfuur of zo volstrekt geen belangstelling meer voor mijn eten leek te hebben – iets ongewoons voor mij – en ik wilde geen kaas.
Toen we die plicht hadden vervuld, vulden we onze glazen bij, staken onze pijpen aan en hervatten het gesprek over onze gezondheidstoestand. Wat we nu eigenlijk mankeerden, wist geen van ons met zekerheid; maar we waren het er unaniem over eens dat het – wat het ook was – door te hard werken was ontstaan.
“Wat wij nodig hebben, is rust,” zei Harris.
“Rust en eens iets heel anders,” zei George. “De overbelasting van onze hersenen heeft een algemene inzinking van ons hele gestel veroorzaakt. Een andere omgeving en het ontbreken van de noodzaak om na te denken zullen het geestelijk evenwicht herstellen.”
George heeft een neef die in het proces-verbaal doorgaans als student in de geneeskunde wordt aangeduid, zodat George zich natuurlijk enigszins huisdokterlijk uitdrukt.
Ik was het met George eens en stelde voor een afgelegen plekje uit vervlogen tijden op te zoeken, ver van het stadsgewoel, en er tussen de slaperige laantjes een zonnige week te verdromen – een halfvergeten hoekje, door de feeën weggestopt, buiten het bereik van de rumoerige wereld – een schilderachtig gelegen arendsnest op de klippen van de Tijd, waar het bruisen van de golven van de negentiende eeuw slechts zwak en in de verte te horen zou zijn.
Harris zei dat het hem maar een naargeestige boel leek. Hij zei dat hij wel wist wat voor soort oord ik bedoelde; waar iedereen om acht uur naar bed ging en je voor geen geld ter wereld een exemplaar van de Referee kon krijgen en tien mijl moest lopen om tabak te halen.
“Nee,” zei Harris, “als je rust en afwisseling wilt, gaat er niets boven een zeereis.”
Ik verzette me fel tegen een zeereis. Een zeereis doet je goed als je een paar maanden op zee blijft, maar voor een week is het een misdaad.
Op maandag vertrek je, diep doordrongen van de gedachte dat je je gaat vermaken. Je wuift de jongens aan de wal een luchtig adieu toe, steekt je grootste pijp aan en stapt parmantig over het dek alsof je kapitein Cook, sir Francis Drake en Christoffel Columbus in één persoon bent. Op dinsdag zou je willen dat je niet was meegegaan. Op woensdag, donderdag en vrijdag zou je willen dat je dood was. Op zaterdag kun je een beetje runderbouillon doorslikken en rechtop aan dek zitten en met een flauwe, vriendelijke glimlach antwoorden wanneer goedhartige mensen vragen hoe je je nu voelt. Op zondag begin je weer rond te lopen en vast voedsel te eten. En op maandagochtend, wanneer je met je tas en paraplu in de hand bij het dolboord staat te wachten tot je aan wal kunt stappen, begin je er pas goed plezier in te krijgen.
Ik herinner me dat mijn zwager eens voor zijn gezondheid een korte zeereis maakte. Hij boekte een kooi voor de heen- en terugreis van Londen naar Liverpool; en toen hij in Liverpool aankwam, wilde hij nog maar één ding: dat retourbiljet verkopen.
Het werd, naar men mij vertelt, overal in de stad voor een sterk verlaagde prijs aangeboden en ten slotte voor achttien penny verkocht aan een jongeman met een galgele gelaatskleur, die van zijn dokters zojuist het advies had gekregen naar zee te gaan en aan lichaamsbeweging te doen.
“Aan zee!” zei mijn zwager, terwijl hij hem het biljet liefdevol in de hand drukte. “Nou, je hebt er genoeg aan voor een heel leven; en wat lichaamsbeweging betreft! Op dat schip krijg je zittend meer lichaamsbeweging dan wanneer je op het droge buitelt.”
Hijzelf – mijn zwager – kwam per trein terug. Hij zei dat de North-Western Railway gezond genoeg voor hem was.
Een andere kennis van me ging een week langs de kust varen, en voor het vertrek kwam de hofmeester bij hem vragen of hij voor elke maaltijd afzonderlijk wilde betalen of vooraf een prijs wilde afspreken voor de hele reeks.
De hofmeester raadde het laatste aan, want daarmee zou hij veel goedkoper uit zijn. Hij zei dat ze hem voor twee pond vijf de hele week te eten zouden geven. Hij zei dat er bij het ontbijt vis zou zijn, gevolgd door geroosterd vlees. De lunch was om één uur en bestond uit vier gangen. Diner om zes uur – soep, vis, entrée, een braadstuk, gevogelte, salade, zoete gerechten, kaas en dessert. En om tien uur een lichte avondmaaltijd met vlees.
Mijn vriend vond dat aanbod van twee pond vijf wel wat (hij is een flinke eter) en ging erop in.
De lunch werd opgediend net toen ze ter hoogte van Sheerness waren. Hij had niet zoveel trek als hij had gedacht en stelde zich daarom tevreden met een beetje gekookt rundvlees en wat aardbeien met room. Hij zat die middag heel wat te peinzen, en nu eens had hij het gevoel dat hij al weken niets anders dan gekookt rundvlees had gegeten, dan weer dat hij al jaren van aardbeien met room moest hebben geleefd.
Het rundvlees en de aardbeien met room leken ook niet gelukkig – ze deden wat ontevreden aan.
Om zes uur kwamen ze hem zeggen dat het diner klaarstond. Het bericht wekte geen geestdrift bij hem, maar hij vond dat hij nog wat van die twee pond vijf moest wegwerken, en hij ging, zich aan touwen en dergelijke vastklemmend, naar beneden. Onder aan de scheepstrap kwam hem een aangename geur van uien en warme ham tegemoet, vermengd met gebakken vis en groene groente; en toen kwam de hofmeester met een zalvende glimlach naar hem toe en zei:
“Wat kan ik u brengen, meneer?”
“Breng me hier weg,” luidde het zwakke antwoord.
En ze brachten hem vlug naar boven, zetten hem aan de lijzijde ergens tegenaan en lieten hem daar achter.
De volgende vier dagen leidde hij een eenvoudig en onberispelijk leven op dunne kapiteinsbeschuiten (ik bedoel dat de beschuiten dun waren, niet de kapitein) en sodawater; maar tegen zaterdag werd hij verwaand en ging hij over op slappe thee en droge toast, en op maandag zat hij zich vol te proppen met kippenbouillon. Dinsdag verliet hij het schip, en toen het van de aanlegsteiger wegstoomde, keek hij het met spijt na.
“Daar gaat ze,” zei hij, “daar gaat ze, met voor twee pond aan eten aan boord dat van mij is en dat ik niet heb gehad.”
Hij zei dat hij dacht dat hij de zaak wel had kunnen rechtzetten als ze hem nog een dag hadden gegeven.
Dus verzette ik me tegen de zeereis. Niet, zoals ik uitlegde, om mijzelf. Ik was nooit zeeziek. Maar ik vreesde voor George. George zei dat hij nergens last van zou hebben en het juist wel prettig zou vinden, maar hij zou Harris en mij aanraden het uit ons hoofd te zetten, want hij wist zeker dat we allebei ziek zouden worden. Harris zei dat het voor hemzelf altijd een raadsel was hoe mensen het klaarspeelden op zee ziek te worden – dat hij dacht dat ze het met opzet deden, uit aanstellerij – dat hij het zelf vaak had gewild, maar dat het hem nooit was gelukt.
Daarop vertelde hij ons verhalen over de keren dat hij het Kanaal was overgestoken terwijl de zee zo woelig was dat de passagiers in hun kooien moesten worden vastgebonden, en hij en de kapitein de enige twee levende zielen aan boord waren die niet ziek waren. Soms waren hij en de tweede stuurman niet ziek; maar meestal waren het hij en één andere man. Zo niet hij en een andere man, dan hij alleen.
Het is een merkwaardig feit, maar niemand is ooit zeeziek – aan land. Op zee kom je heel wat mensen tegen die er werkelijk beroerd aan toe zijn, hele scheepsladingen; maar aan land heb ik nog nooit iemand ontmoet die ooit had ondervonden wat het was om zeeziek te zijn. Waar de duizenden en nog eens duizenden mensen die niet tegen varen kunnen en die op elk schip rondzwermen zich verschuilen wanneer ze aan land zijn, is een raadsel.
Als de meeste mannen zo waren als een kerel die ik eens op de boot naar Yarmouth zag, kon ik dat schijnbare raadsel gemakkelijk genoeg verklaren. Het was ter hoogte van Southend Pier, herinner ik me, en hij hing in een heel gevaarlijke houding uit een van de patrijspoorten. Ik ging naar hem toe om te proberen hem te redden.
“Hé! Kom wat verder naar binnen,” zei ik, terwijl ik hem aan zijn schouder schudde. “Je valt nog overboord.”
“O, was het maar waar,” was het enige antwoord dat ik uit hem kon krijgen; en daar moest ik hem laten.
Drie weken later kwam ik hem tegen in de eetzaal van een hotel in Bath, waar hij over zijn zeereizen zat te praten en geestdriftig uitlegde hoeveel hij van de zee hield.
“Of ik tegen varen kan!” antwoordde hij op de afgunstige vraag van een zachtmoedige jongeman. “Nou, ik heb me één keer een beetje onwel gevoeld, dat geef ik toe. Dat was ter hoogte van Kaap Hoorn. De volgende ochtend leed het schip schipbreuk.”
Ik zei:
“Was u op een dag bij Southend Pier niet een beetje onwel en wilde u overboord gegooid worden?”
“Southend Pier!” antwoordde hij met een vragende blik.
“Ja; op weg naar Yarmouth. Afgelopen vrijdag was het drie weken geleden.”
“O, eh – ja,” antwoordde hij, en zijn gezicht klaarde op. “Nu weet ik het weer. Ik had die middag inderdaad hoofdpijn. Dat kwam door het tafelzuur, ziet u. Het was het schandaligste tafelzuur dat ik ooit op een fatsoenlijk schip heb geproefd. Hebt u er ook van gegeten?”
Wat mijzelf betreft, ik heb een uitstekend middel ontdekt om zeeziekte te voorkomen: mezelf in evenwicht houden. Je gaat midden op het dek staan en beweegt, terwijl het schip deint en stampt, je lichaam zo dat het steeds rechtop blijft. Als de voorkant van het schip omhooggaat, buig je voorover tot het dek bijna je neus raakt; en als het achtereind omhooggaat, leun je achterover. Dat gaat een uur of twee heel goed, maar je kunt jezelf niet een week lang zo in evenwicht houden.
George zei:
“Laten we de rivier op gaan.”
Hij zei dat we dan frisse lucht, lichaamsbeweging en rust zouden krijgen; de voortdurende verandering van omgeving zou onze geest bezighouden (met inbegrip van wat Harris daarvan bezat); en van het harde werken zouden we een goede eetlust krijgen en goed slapen.
Harris zei dat hij niet vond dat George iets moest doen wat hem nog slaperiger kon maken dan hij altijd al was, want dat kon gevaarlijk zijn. Hij zei dat hij niet goed begreep hoe George nog meer zou gaan slapen dan hij nu al deed, aangezien een dag maar vierentwintig uur had, ’s zomers zowel als ’s winters; maar hij dacht dat George, als hij werkelijk nog meer sliep, net zo goed dood kon zijn en zo zijn kost en inwoning kon uitsparen.
Harris zei echter dat de rivier helemaal zijn kopje thee zou zijn. Ik weet niet wat een “kopje thee” is (behalve dat van zes penny, met brood met boter en cake ad lib inbegrepen, een koopje voor dat geld als je geen middagmaal hebt gehad). Het schijnt echter iedereen te bevallen, wat het zeer tot eer strekt.
Het was ook helemaal mijn kopje thee, en Harris en ik zeiden allebei dat het een goed idee van George was; en we zeiden het op een toon die op de een of andere manier leek te verraden dat we verbaasd waren dat George zo verstandig uit de hoek was gekomen.
De enige die niets in het voorstel zag, was Montmorency. Hij had nooit veel om de rivier gegeven, Montmorency.
“Voor jullie is het allemaal goed en wel, jongens,” zegt hij. “Jullie houden ervan, maar ik niet. Er is voor mij niets te doen. Ik ben geen liefhebber van natuurschoon, en ik rook niet. Als ik een rat zie, willen jullie niet stoppen; en als ik ga slapen, gaan jullie met de boot zitten dollen, zodat ik overboord spoel. Als je het mij vraagt, is het allemaal verdraaide onzin.”
We waren echter met z’n drieën tegen één, en het voorstel werd aangenomen.




