Black Beauty
Anna Sewell
Hoofdstuk 1: Mijn eerste thuis
De eerste plek die ik me goed kan herinneren, was een grote, mooie weide met een vijver vol helder water. Enkele schaduwrijke bomen bogen zich over het water, en aan het diepe uiteinde groeiden biezen en waterlelies. Aan de ene kant keken we over de heg uit op een geploegde akker, en aan de andere kant over een hek naar het huis van onze meester, dat aan de weg stond; bovenaan de weide stond een bosje sparren en onderaan stroomde een beek langs een steile, overhangende oever.
Toen ik nog klein was, leefde ik van mijn moeders melk, want gras kon ik nog niet eten. Overdag rende ik naast haar en ’s nachts ging ik vlak bij haar liggen. Als het warm was, stonden we bij de vijver in de schaduw van de bomen, en als het koud was, hadden we een lekker warme schuur bij het bosje.
Zodra ik oud genoeg was om gras te eten, ging mijn moeder overdag aan het werk en kwam ze ’s avonds terug.
Behalve ik waren er nog zes jonge paarden in de weide; ze waren ouder dan ik; sommige waren bijna zo groot als volwassen paarden. Ik rende met ze mee en had veel plezier; we galoppeerden met ons allen steeds weer de weide rond, zo hard als we konden. Soms ging het er bij het spelen nogal ruw aan toe, want behalve galopperen beten en trapten ze ook geregeld.
Op een dag, toen er flink getrapt werd, riep mijn moeder me hinnikend bij zich en zei toen:
“Ik wil dat je goed luistert naar wat ik je ga zeggen. De jonge paarden die hier wonen, zijn heel brave jonge paarden, maar het zijn jonge trekpaarden, en die hebben natuurlijk geen manieren geleerd. Jij bent goed opgevoed en van goede afkomst; je vader heeft een grote naam in deze streek, en je grootvader heeft in twee verschillende jaren de beker gewonnen bij de paardenrennen in Newmarket; je grootmoeder had het liefste karakter van alle paarden die ik ooit heb gekend, en volgens mij heb je me nog nooit zien trappen of bijten. Ik hoop dat je opgroeit tot een zachtmoedig en braaf paard en nooit slechte gewoonten aanleert; doe je werk gewillig, til je voeten goed op als je draaft, en bijt of trap nooit, zelfs niet als je speelt.”
Ik ben de raad van mijn moeder nooit vergeten; ik wist dat ze een wijs oud paard was, en onze meester had een hoge dunk van haar. Ze heette Duchess, maar hij noemde haar vaak Lieveling.
Onze meester was een goede, vriendelijke man. Hij gaf ons goed voer en een goed onderkomen en had vriendelijke woorden voor ons; hij sprak even vriendelijk tegen ons als tegen zijn kleine kinderen. We waren allemaal op hem gesteld, en mijn moeder hield heel veel van hem. Als ze hem bij het hek zag, hinnikte ze van vreugde en draafde naar hem toe. Dan gaf hij haar klopjes, aaide haar en zei: “Zo, ouwe Lieveling, en hoe is het met je kleine Zwartje?” Mijn vacht was dofzwart, daarom noemde hij me Zwartje; dan gaf hij me een stuk brood, dat heel lekker was, en soms bracht hij een wortel voor mijn moeder mee. Alle paarden kwamen naar hem toe, maar ik geloof dat wij zijn lievelingen waren. Op marktdagen bracht mijn moeder hem altijd met een lichte gig naar de stad.
Een ploegjongen die Dick heette, kwam soms onze weide in om bramen uit de heg te plukken. Als hij genoeg gegeten had, begon hij met wat hij plezier maken noemde: hij gooide stenen en stokken naar de jonge paarden om ze te laten galopperen. We stoorden ons niet erg aan hem, want we konden weggalopperen; maar soms raakte een steen ons en deed dat pijn.
Op een dag was hij weer met dat spelletje bezig en wist hij niet dat de meester op het veld ernaast was; maar die stond daar wel te kijken wat er gebeurde; in een oogwenk sprong hij over de heg, greep Dick bij de arm en gaf hem zo’n oorvijg dat hij het uitbrulde van pijn en schrik. Zodra we de meester zagen, draafden we dichterbij om te zien wat er gebeurde.
“Stoute jongen!” zei hij. “Stoute jongen! De jonge paarden zo opjagen! Dit is niet de eerste keer en ook niet de tweede, maar het zal de laatste zijn. Hier – neem je geld en ga naar huis; ik wil je niet meer op mijn boerderij hebben.” We hebben Dick dan ook nooit meer gezien. De oude Daniel, de man die voor de paarden zorgde, was net zo zachtaardig als onze meester, dus we hadden het goed.




