Phantastes
George MacDonald
Hoofdstuk 1
Phantastes, die alle vormen aan “hun bron” ontleent,
Kan ze gezwind in nieuwe gewaden hullen.
Fletchers Purple Island
Es lassen sich Erzählungen ohne Zusammenhang, jedoch mit Association, wie Träume, denken; Gedichte, die bloss wohlklingend und voll schöner Worte sind, aber auch ohne allen Sinn und Zusammenhang, höchstens einzelne Strophen verständlich, wie Bruchstücke aus den verschiedenartigsten Dingen. Diese wahre Poesie kann höchstens einen allegorischen Sinn in Grossen, und eine indirecte Wirkung, wie Musik, haben. Darum ist die Natur so rein poetisch, wie die Stube eines Zauberers, eines Physikers, eine Kinderstube, eine Polter-und Vorrathskammer.
Ein Märchen ist wie ein Traumbild ohne Zusammenhang. Ein Ensemble wunderbarer Dinge und Begebenheiten, z.B. eine musikalische Phantasie, die harmonischen Folgen einer Aeolsharfe, die Natur selbst.
In einem echten Märchen muss alles wunderbar, geheimnissvoll und zusammenhängend sein; alles belebt, jeder auf eine andere Art. Die ganze Natur muss wunderlich mit der ganzen Geisterwelt gemischt sein; hier tritt die Zeit der Anarchie, der Gesetzlosigkeit, Freiheit, der Naturstand der Natur, die Zeit von der Welt ein. … Die Welt des Märchens ist die, der Welt der Wahrheit durchaus entgegengesetzte, und eben darum ihr so durchaus ähnlich, wie das Chaos der vollendeten Schöpfung ähnlich ist.
Novalis
Voorwaar, mijne heren, dit is geen deur. Wel een klein venster dat uitzicht biedt op een grote wereld.
Een geest …
⋮
Die de golvende wouden en de stille bron,
En de kabbelende beek en het avondduister,
Dat nu de donkere schaduwen verdiepte, tot taal nam,
Sprak met hem; alsof hij en die geest
Het enige waren wat bestond.
Shelleys Alastor
Op een morgen ontwaakte ik met de gebruikelijke verwarring die met de terugkeer van het bewustzijn gepaard gaat. Terwijl ik zo lag en door het oostelijke venster van mijn kamer keek, kondigde een flauwe perzikkleurige streep, dwars door een wolk die net boven de lage welving van de horizon uitrees, de nadering van de zon aan. Toen mijn gedachten, die door een diepe en schijnbaar droomloze slaap waren opgelost, weer kristallijne vormen begonnen aan te nemen, verschenen de vreemde gebeurtenissen van de vorige nacht opnieuw voor mijn verwonderde geest. De dag tevoren was ik eenentwintig geworden. Bij de plechtigheden waarmee ik in het bezit van mijn wettelijke rechten werd gesteld, had men mij onder meer de sleutels overhandigd van een oude secretaire waarin mijn vader zijn persoonlijke papieren had bewaard. Zodra ik alleen was, liet ik kaarsen aansteken in het vertrek waar de secretaire stond, de eerste die daar sinds vele jaren brandden; want sinds de dood van mijn vader was de kamer onaangeroerd gebleven. Maar het was alsof het duister er te lang had gehuisd om zich gemakkelijk te laten verdrijven en de wanden, waaraan het zich als een vleermuis had vastgeklampt, zwart had gekleurd: de kaarsen verlichtten de sombere wandkleden slechts zwak en leken nog donkerder schaduwen te werpen in de holten van de diep uitgesneden kroonlijst. Alle verderaf gelegen delen van de kamer lagen gehuld in een geheimenis waarvan de diepste plooien zich samenpakten om de donkere eikenhouten kast, die ik nu met een wonderlijke mengeling van eerbied en nieuwsgierigheid naderde. Misschien stond ik op het punt om, als een geoloog, enkele bedolven lagen van de mensenwereld aan het licht te brengen, met hun fossiele resten, verkoold door hartstocht en versteend door tranen. Misschien zou ik vernemen hoe mijn vader, van wiens levensgeschiedenis ik niets wist, het web van zijn levensverhaal had geweven; hoe hij de wereld had aangetroffen en hoe de wereld hem had achtergelaten. Misschien zou ik slechts stukken vinden over landerijen en gelden, hoe die waren verworven en veiliggesteld; hoe ze van onbekende mannen, door woelige tijden heen, op mij waren overgegaan, terwijl ik van dat alles weinig of niets wist.
Om antwoord te vinden op mijn vragen en het ontzag te verdrijven dat mij steeds meer omgaf, alsof de doden naderden, ging ik naar de secretaire; toen ik de sleutel had gevonden die op het bovenste gedeelte paste, opende ik dat met enige moeite, schoof er een zware stoel met een hoge rugleuning voor en nam plaats voor een menigte kleine laden, schuifjes en vakjes. Maar vooral het deurtje van een kastje in het midden trok mijn aandacht, alsof daar het geheim lag van deze zo lang verborgen wereld. Ik vond de sleutel ervan. Een van de roestige scharnieren kraakte en brak toen ik het deurtje opende; erachter verscheen een aantal kleine vakjes. Omdat die echter zo ondiep waren vergeleken met de vakken rond het kastje, die tot aan de achterkant van de secretaire reikten, leidde ik daaruit af dat erachter nog een bereikbare ruimte moest zijn; en inderdaad ontdekte ik dat ze in een afzonderlijk raamwerk zaten, dat in zijn geheel naar buiten kon worden getrokken. Daarachter vond ik een soort buigzaam valhek van houten latjes die horizontaal dicht tegen elkaar lagen. Na lang zoeken en allerlei pogingen om het in beweging te krijgen, ontdekte ik ten slotte aan één kant een nauwelijks uitstekend stalen puntje. Ik drukte er herhaaldelijk en met kracht op met de punt van een oud stuk gereedschap dat in de buurt lag, tot het eindelijk naar binnen meegaf; het schuifje schoot plotseling omhoog en legde een kamertje bloot – leeg, afgezien van een hoopje verdorde rozenblaadjes in de ene hoek, waarvan de geur zo lang had standgehouden en toch allang vervlogen was, en een klein pakje papieren in een andere, samengebonden met een stukje lint waarvan de kleur samen met de rozengeur verdwenen was. Haast bevreesd ze aan te raken – zo zwijgend getuigden ze van de wet der vergetelheid – leunde ik achterover in mijn stoel en keek er een ogenblik naar; toen stond er plotseling op de drempel van het kamertje, alsof ze zojuist uit de diepte ervan tevoorschijn was gekomen, een piepkleine vrouwengestalte, zo volmaakt van vorm als was ze een klein Grieks beeldje dat tot leven en beweging was gewekt. Haar kleding was van een soort die nooit uit de mode kon raken, omdat ze volkomen natuurlijk was: een gewaad, rond de hals in een band geplooid en om het middel door een gordel bijeengehouden, reikte tot haar voeten. Het was echter pas later dat ik op haar kleding lette, hoewel mijn verbazing geenszins zo overweldigend was als men bij zo’n verschijning zou verwachten. Maar vermoedelijk zag ze toch enige verwondering op mijn gezicht, want ze kwam naar voren tot op nog geen yard van mij en zei met een stem die zelfs in deze doodse kamer op wonderlijke wijze het gevoel opriep van schemering, rietbegroeide rivieroevers en een zachte wind,
“Anodos, je hebt nog nooit zo’n klein wezentje gezien, nietwaar?”
“Nee,” zei ik, “en ik geloof zelfs nu nauwelijks dat ik er een zie.”
“Ach! Zo gaat het altijd met jullie mensen; de eerste keer geloven jullie niets, en het is toch dwaas genoeg je enkel door herhaling te laten overtuigen van iets wat je op zichzelf ongelooflijk vindt. Maar ik ga niet met je redetwisten; ik zal een wens van je vervullen.”
Hier kon ik niet nalaten haar te onderbreken met de dwaze opmerking die ik overigens niet hoefde te betreuren:
“Hoe kan zo’n heel klein wezentje als u ook maar iets schenken of weigeren?”
“Is dat alles wat je in eenentwintig jaar aan wijsheid hebt vergaard?” zei ze. “Vorm doet er veel toe, maar grootte helemaal niet. Het is louter een kwestie van verhouding. Ik neem aan dat Uwe Edelheid zich met zijn zes voet niet volkomen onbeduidend voelt, al lijk je in andermans ogen klein naast je oude oom Ralph, die minstens een flinke halve voet boven je uitsteekt. Maar grootte is voor mij van zo weinig belang dat ik me evengoed naar je dwaze vooroordelen kan schikken.”
Met die woorden sprong ze van de secretaire op de vloer; daar stond ze als een rijzige, bevallige dame, met een bleek gelaat en grote blauwe ogen. Haar donkere haar viel golvend, maar niet gekruld, langs haar rug tot aan haar middel, en daartegen tekende haar gestalte zich scherp af in haar witte gewaad.
“Nu,” zei ze, “zul je me wel geloven.”
Overweldigd door de aanwezigheid van een schoonheid die ik nu kon aanschouwen, en tot haar getrokken door een aantrekkingskracht die even onweerstaanbaar als onbegrijpelijk was, strekte ik vermoedelijk mijn armen naar haar uit, want ze week een pas of twee terug en zei:
“Dwaze jongen, als je me kon aanraken, zou ik je pijn doen. Bovendien was ik afgelopen midzomeravond tweehonderdzevenendertig jaar oud; en een man mag toch niet verliefd worden op zijn grootmoeder.”
“Maar u bent mijn grootmoeder niet,” zei ik.
“Hoe weet je dat?” wierp ze tegen. “Je weet vast wel iets over je overgrootvaders die nog veel langer geleden leefden; maar over je overgrootmoeders weet je aan geen van beide kanten veel. Nu ter zake. Je zusje las je gisteravond een sprookje voor.”
“Dat deed ze.”
“Toen ze klaar was, zei ze terwijl ze het boek dichtsloeg: ‘Bestaat er een elfenland, broeder?’ Je antwoordde met een zucht: ‘Ik denk van wel, als je de weg ernaartoe maar kon vinden.’”
“Dat zei ik; maar ik bedoelde iets heel anders dan u schijnt te denken.”
“Wat ik schijn te denken doet er niet toe. Morgen zul je de weg naar Elfenland vinden. Kijk me nu in de ogen.”
Gretig deed ik dat. Ze vervulden mij met een onbekend verlangen. Om de een of andere reden herinnerde ik mij dat mijn moeder gestorven was toen ik nog een zuigeling was. Ik keek dieper en dieper, tot ze zich als zeeën om mij heen uitspreidden en ik in hun water wegzonk. Al het andere vergat ik, tot ik mij bij het venster bevond; de sombere gordijnen waren weggeschoven en ik stond er te staren naar een hele hemel vol sterren, klein en fonkelend in het maanlicht. Beneden lag een zee, stil als de dood en grijswit in het maanlicht, die zich in baaien en rond kapen en eilanden uitstrekte, verder, verder, ik wist niet waarheen. Helaas! Het was geen zee, maar een laaghangende mist, door de maan gepolijst. “Ergens moet toch zo’n zee bestaan!” zei ik bij mezelf. Een zachte, lieflijke stem naast mij antwoordde –
“In Elfenland, Anodos.”
Ik draaide mij om, maar zag niemand. Ik sloot de secretaire, ging naar mijn eigen kamer en legde mij te bed.
Dat alles haalde ik mij weer voor de geest terwijl ik daar met halfgesloten ogen lag. Al spoedig zou ik ondervinden dat de belofte van de dame uitkwam: die dag zou ik de weg naar Elfenland ontdekken.




