Naar hoofdinhoud

Lees hoofdstuk 1 gratis. Zonder aanmelden.

Zoek op boek of genre
Winkelmandje

Uw winkelmandje is leeg.

Bekijk alle boeken

Menu openen of sluiten
Omslag van het boek ‘Vijf kinderen en Het’ van E. Nesbit

Gratis leesfragment

Vijf kin­de­ren en Het

Van E. Nesbit

Klassieker uit het publieke domein van E. Nesbit · Nieuwe vertaling door NovelSpell

Kies uw editie

Vijf kin­de­ren en Het

E. Nesbit

Hoofdstuk 1: Zo mooi als de dag

Het huis lag drie mijl van het station, maar de stoffige huurkoets had nog geen vijf minuten voortgerammeld of de kinderen begonnen hun hoofd uit het raampje te steken en te vragen: “Zijn we er nu bijna?” En telkens als ze een huis voorbijkwamen, wat niet zo heel vaak gebeurde, riepen ze allemaal: “O, is dit het?” Maar dat was het nooit, tot ze helemaal boven op de heuvel waren, net voorbij de krijtgroeve en nog vóór de grindgroeve. Daar stond een wit huis met een groene tuin en daarachter een boomgaard, en moeder zei: “We zijn er!”

“Wat is het huis wit,” zei Robert.

“En kijk eens naar de rozen,” zei Anthea.

“En de pruimen,” zei Jane.

“Het is best aardig,” gaf Cyril toe.

De baby zei: “Wil wandeltje doen,” en met nog een laatste gerammel en geschok kwam de koets tot stilstand.

In het gedrang om op datzelfde ogenblik uit de koets te komen, kreeg iedereen wel een schop tegen zijn benen of een voet op zijn tenen, maar niemand leek het erg te vinden. Moeder had, vreemd genoeg, helemaal geen haast om uit te stappen; en zelfs toen ze langzaam, via het opstapje en zonder ook maar één sprongetje op de grond was gekomen, wilde ze blijkbaar eerst zien hoe de koffers naar binnen werden gedragen, en zelfs de koetsier betalen, in plaats van mee te doen aan die eerste heerlijke stormloop door de tuin en de boomgaard en de wildernis vol doornen, distels, stekelstruiken en bramen achter het kapotte hek en de droge fontein aan de zijkant van het huis. Maar voor één keer waren de kinderen verstandiger. Het was eigenlijk helemaal geen mooi huis; het was heel gewoon, en moeder vond het nogal onpraktisch en ergerde zich eraan dat er zo goed als geen planken waren en nauwelijks een kast te vinden was. Vader zei altijd dat het ijzerwerk op het dak en langs de dakrand wel de nachtmerrie van een architect leek. Maar het huis lag midden op het platteland, zonder een ander huis in zicht, en de kinderen hadden twee jaar in Londen gewoond zonder ook maar één keer naar zee te gaan, zelfs niet voor een dagje met een excursietrein, en daarom leek het Witte Huis hun een soort feeënpaleis dat in een aards paradijs was neergezet. Want Londen is voor kinderen net een gevangenis, vooral als hun familie niet rijk is.

Natuurlijk heb je er de winkels en de schouwburgen, en Maskelyne en Cook, en zo, maar als je ouders nogal arm zijn, nemen ze je niet mee naar de schouwburg en kun je niets in de winkels kopen; en in Londen vind je geen van die fijne dingen waarmee kinderen kunnen spelen zonder de dingen of zichzelf te beschadigen – zoals bomen en zand en bossen en water. En bijna alles in Londen heeft de verkeerde vorm – allemaal rechte lijnen en vlakke straten, in plaats van allerlei grillige vormen, zoals de dingen op het platteland hebben. Bomen zijn allemaal verschillend, zoals je weet, en vast en zeker heeft een of ander vervelend iemand je al eens verteld dat geen twee grassprietjes precies gelijk zijn. Maar in de straten, waar geen grassprietjes groeien, lijkt alles op al het andere. Daarom zijn veel kinderen die in steden wonen zo ontzettend stout. Ze weten niet wat hun mankeert, en hun vaders en moeders, tantes, ooms, neven, nichten, huisonderwijzers, gouvernantes en kindermeisjes weten het evenmin; maar ik wel. En jij nu ook. Kinderen op het platteland zijn soms ook stout, maar om heel andere redenen.

De kinderen hadden de tuinen en de bijgebouwen grondig verkend voordat ze voor de thee werden gevangen en schoongeboend, en ze zagen heel goed dat ze in het Witte Huis beslist gelukkig zouden worden. Dat hadden ze vanaf het eerste ogenblik al gedacht, maar toen ze ontdekten dat de achterkant van het huis begroeid was met jasmijn, helemaal wit van de bloemen, die geurde als een flesje van het duurste parfum dat je maar voor je verjaardag kunt krijgen; en toen ze het gazon hadden gezien, zo groen en glad, heel anders dan het bruine gras in de tuinen van Camden Town; en toen ze de stal hadden gevonden, met een zolder erboven waar nog wat oud hooi lag, wisten ze het bijna zeker; en toen Robert de kapotte schommel had gevonden, eruit was gevallen en een bult zo groot als een ei op zijn hoofd had gekregen, en Cyril zijn vinger had geklemd tussen het deurtje van een hok dat gemaakt leek om konijnen in te houden, als je die ooit mocht hebben, twijfelden ze helemaal nergens meer aan.

Het mooiste van alles was dat er geen regels waren die zeiden dat je ergens niet mocht komen of iets niet mocht doen. In Londen hangt aan bijna alles een bordje met “Afblijven”, en al is dat bordje onzichtbaar, het is even erg, want je weet dat het er hangt, en als je het niet weet, krijg je het wel heel gauw te horen.

Het Witte Huis stond op de rand van een heuvel, met een bos erachter – en de krijtgroeve aan de ene kant en de grindgroeve aan de andere. Onderaan de heuvel lag een vlak terrein, met vreemd gevormde witte gebouwen waar men kalk brandde, en een grote rode brouwerij en andere huizen; en wanneer de grote schoorstenen rookten en de zon onderging, leek het dal vol gouden nevel te hangen, en de kalkovens en hopdrogerijen glansden en schitterden tot ze op een betoverde stad uit Duizend-en-een-nacht leken.

Nu ik je eenmaal over die plek ben gaan vertellen, heb ik het gevoel dat ik zo door zou kunnen gaan en er een heel boeiend verhaal van zou kunnen maken over alle gewone dingen die de kinderen deden – precies zulke dingen als je zelf doet, weet je wel – en je zou er ieder woord van geloven; en als ik vertelde hoe vervelend de kinderen waren, zoals jij soms bent, zouden je tantes misschien met potlood in de kantlijn schrijven: “Hoe waar!” of “Net het echte leven!” En jij zou het zien en je er waarschijnlijk aan ergeren. Daarom zal ik je alleen de werkelijk verbazingwekkende dingen vertellen die er gebeurden, en je kunt het boek gerust laten rondslingeren, want er is weinig kans dat tantes, of ooms trouwens, “Hoe waar!” in de kantlijn zullen schrijven. Grote mensen vinden het heel moeilijk om werkelijk wonderbaarlijke dingen te geloven, tenzij ze hebben wat ze bewijs noemen. Maar kinderen geloven bijna alles, en dat weten grote mensen. Daarom vertellen ze je dat de aarde rond is als een sinaasappel, terwijl je heel goed kunt zien dat ze plat is en vol bulten zit; en daarom zeggen ze dat de aarde om de zon draait, terwijl je iedere dag zelf kunt zien dat de zon ’s morgens opstaat en ’s avonds naar bed gaat, als de brave zon die het is, en dat de aarde haar plaats kent en zich zo stil houdt als een muis. Toch geloof je waarschijnlijk alles wat er over de aarde en de zon wordt verteld, en als dat zo is, zul je er geen enkele moeite mee hebben te geloven dat Anthea en Cyril en de anderen nog geen week op het platteland waren toen ze een fee vonden. Tenminste, zo noemden ze het, omdat het zichzelf zo noemde; en natuurlijk wist het dat zelf het beste, maar het leek in de verste verte niet op enige fee die je ooit hebt gezien of van wie je ooit hebt gehoord of gelezen.

Het gebeurde bij de grindgroeven. Vader moest plotseling voor zaken weg, en moeder was naar Oma gegaan, die niet zo goed was. Ze waren allebei in grote haast vertrokken, en toen ze weg waren, leek het huis verschrikkelijk stil en leeg, en de kinderen zwierven van de ene kamer naar de andere, keken naar de stukjes papier en touw die na het inpakken op de vloeren waren blijven liggen en nog niet waren opgeruimd, en wensten dat ze iets te doen hadden. Het was Cyril die zei –

“Zeg, laten we onze scheppen uit Margate pakken en in de grindgroeven gaan graven. Dan doen we alsof we aan zee zijn.”

“Vader zegt dat hier vroeger de zee was,” zei Anthea. “Hij zegt dat er schelpen liggen die duizenden jaren oud zijn.”

Dus gingen ze. Natuurlijk waren ze al naar de rand van de grindgroeve geweest en hadden ze naar beneden gekeken, maar ze waren er nog niet in afgedaald, uit angst dat vader zou zeggen dat ze er niet mochten spelen, en met de krijtgroeve was het net zo. De grindgroeve is niet echt gevaarlijk als je niet langs de randen naar beneden probeert te klimmen, maar de langzame, veilige omweg over de weg neemt, alsof je een kar bent.

Elk kind droeg zijn eigen schep, en om beurten droegen ze het Lammetje. Hij was de baby, en ze noemden hem zo omdat “Bè” het eerste was wat hij ooit had gezegd. Anthea noemden ze “Panter”, wat nogal dwaas lijkt als je het leest, maar als je het uitspreekt, klinkt het een beetje als haar naam.

De grindgroeve is heel groot en breed, en langs de randen bovenaan groeien gras en droge, sprieterige wilde bloemen, paarse en gele. Het is net de waskom van een reus. En er liggen hopen grind, en in de wanden van de kom zitten gaten waar grind is weggehaald, en hoog in de steile wanden zitten de kleine gaatjes die de kleine voordeuren zijn van de kleine huisjes van de kleine oeverzwaluwen.

Natuurlijk bouwden de kinderen een kasteel, maar kastelen bouwen is niet zo heel leuk als je niet kunt hopen dat de ruisende vloed ooit zal opkomen om de slotgracht te vullen en de ophaalbrug weg te spoelen en, als heerlijk slot, iedereen minstens tot zijn middel nat te maken.

Cyril wilde een grot uitgraven om smokkelaartje in te spelen, maar de anderen dachten dat ze dan levend begraven konden worden, dus liep het erop uit dat alle scheppen aan het werk gingen om dwars door het kasteel een gat naar Australië te graven. Deze kinderen geloofden namelijk dat de wereld rond was en dat aan de andere kant de Australische jongetjes en meisjes echt ondersteboven liepen, net als vliegen op het plafond, met hun hoofd omlaag in de lucht.

De kinderen groeven en groeven en groeven, en hun handen werden zanderig en heet en rood, en hun gezichten werden vochtig en glimmend. Het Lammetje had geprobeerd van het zand te eten en had zo hard gehuild toen hij ontdekte dat het geen bruine suiker was, zoals hij had gedacht, dat hij nu uitgeput was en als een warm, dik propje midden in het halfvoltooide kasteel lag te slapen. Daardoor konden zijn broers en zussen ongestoord heel hard werken, en het gat dat in Australië moest uitkomen werd al gauw zo diep dat Jane, die kortweg Poes werd genoemd, de anderen smeekte op te houden.

“Stel dat de bodem van het gat ineens doorzakt,” zei ze, “en jullie tussen de Australische kindertjes terechtkomen, dan krijgen die al dat zand in hun ogen.”

“Ja,” zei Robert, “en dan krijgen ze een hekel aan ons, en gooien ze stenen naar ons, en mogen we de kangoeroes niet zien, of de opossums, of de blauwe gombomen, of de vogels van het merk Emu, of wat dan ook.”

Cyril en Anthea wisten dat Australië nu ook weer niet zó dichtbij was, maar ze vonden het goed om de scheppen neer te leggen en met hun handen verder te graven. Dat ging heel gemakkelijk, want het zand onder in het gat was heel zacht en fijn en droog, net als zeezand. En er zaten kleine schelpjes in.

“Stel je voor dat hier vroeger een natte zee was, met al dat geklots en geglinster,” zei Jane, “met vissen en zeepalingen en koraal en zeemeerminnen.”

“En scheepsmasten en gezonken Spaanse schatten. Ik wou dat we een gouden dubloen konden vinden, of zoiets,” zei Cyril.

“Hoe hebben ze de zee weggehaald?” vroeg Robert.

“Niet met een emmer, sufferd,” zei zijn broer. “Vader zegt dat de aarde het vanonderen te heet kreeg, zoals jij soms in bed, en toen trok ze gewoon haar schouders op, en de zee moest eraf glijden, net als bij ons de dekens, en die schouder bleef uitsteken en werd droog land. Laten we schelpen gaan zoeken; volgens mij zitten er in dat grotje wel wat, en daar zie ik iets uitsteken dat op een stuk van een scheepsanker uit een wrak lijkt, en het is afschuwelijk heet in het Australiëgat.”

De anderen vonden het goed, maar Anthea groef door. Ze maakte de dingen altijd graag af als ze er eenmaal aan begonnen was. Ze vond dat het een schande zou zijn om dat gat achter te laten zonder Australië bereikt te hebben.

De grot viel tegen, want er waren geen schelpen, en het scheepsanker uit het wrak bleek alleen maar het afgebroken uiteinde van een houweelsteel te zijn, en het gezelschap in de grot was juist tot de slotsom gekomen dat je van zand meer dorst krijgt als het niet aan zee ligt, en iemand had voorgesteld naar huis te gaan voor limonade, toen Anthea plotseling gilde –

“Cyril! Kom hier! O, kom gauw! – Het leeft! Het ontsnapt! Gauw!”

Ze haastten zich allemaal terug.

“Het zou me niets verbazen als het een rat is,” zei Robert. “Vader zegt dat het op oude plekken van de ratten wemelt – en dit moet behoorlijk oud zijn als de zee hier duizenden jaren geleden was –”

“Misschien is het een slang,” zei Jane huiverend.

“Eens kijken,” zei Cyril, en hij sprong in het gat. “Ik ben niet bang voor slangen. Ik vind ze leuk. Als het een slang is, maak ik hem tam, en dan volgt hij me overal, en ’s nachts laat ik hem om mijn nek slapen.”

“Dat doe je niet,” zei Robert beslist. Hij sliep bij Cyril op de kamer. “Maar als het een rat is, mag het wel.”

“O, doe toch niet zo mal!” zei Anthea. “Het is geen rat, het is veel groter. En het is geen slang. Het heeft poten; ik heb ze gezien; en een vacht! Nee – niet met de schep. Dan doe je het pijn! Graaf met je handen.”

“En het dan mij pijn laten doen! Ja, dat dacht je zeker!” zei Cyril, en hij greep een schep.

“O, niet doen!” zei Anthea. “Eekhoorn, niet doen. Ik – het klinkt gek, maar het zei iets. Echt waar –”

“Wat?”

“Het zei: ‘Laat me met rust.’”

Maar Cyril merkte alleen op dat zijn zus vast niet goed bij haar hoofd was, en hij en Robert groeven met hun scheppen, terwijl Anthea op de rand van het gat zat te wippen van de hitte en de bezorgdheid. Ze groeven voorzichtig, en weldra kon iedereen zien dat er werkelijk iets bewoog onder in het Australiëgat.

Toen riep Anthea: “Ik ben niet bang. Laat mij graven,” en ze viel op haar knieën en begon te krabben zoals een hond doet die zich ineens herinnert waar hij zijn bot heeft begraven.

“O, ik voelde een vacht,” riep ze, half lachend en half huilend. “Echt waar! Echt!” Maar plotseling klonk er een droge, schorre stem uit het zand, waardoor ze allemaal achteruitsprongen, en hun harten maakten bijna even vlug een sprong als zijzelf.

“Laat me met rust,” zei het. En nu hoorde iedereen de stem en keek naar de anderen om te zien of die hem ook hadden gehoord.

“Maar we willen u zien,” zei Robert dapper.

“Ik wou dat u tevoorschijn kwam,” zei Anthea, die ook moed vatte.

“O, goed – als dat je wens is,” zei de stem, en het zand bewoog en wervelde en stoof uiteen, en iets bruins en harigs en diks kwam het gat in rollen, en het zand viel ervan af, en het bleef daar zitten, geeuwend en met zijn handen wrijvend over de uiteinden van zijn ogen.

“Ik geloof dat ik in slaap moet zijn gevallen,” zei het, en het rekte zich uit.

De kinderen stonden in een kring om het gat en keken naar het wezen dat ze hadden gevonden. Het was het bekijken waard. Zijn ogen stonden op lange sprieten, net als de ogen van een slak, en het kon ze als telescopen in- en uitschuiven; het had oren als die van een vleermuis, en zijn bolle lijf leek op dat van een spin en was bedekt met een dikke, zachte vacht; ook zijn benen en armen waren harig, en het had handen en voeten als een aap.

“Wat is het in vredesnaam?” zei Jane. “Zullen we het mee naar huis nemen?”

Het ding draaide zijn lange ogen naar haar toe en zei –

“Praat ze altijd onzin, of doet ze alleen zo dom door die rommel op haar hoofd?”

Terwijl het sprak, keek het minachtend naar Janes hoed.

“Ze wil heus niet onnozel doen,” zei Anthea zacht. “Dat wil niemand van ons, wat u ook denkt! U hoeft niet bang te zijn; we willen u geen pijn doen, hoor.”

“Mij pijn doen!” zei het. “Ik bang? Het is toch wat! Jullie praten alsof ik zomaar iemand ben.” Al zijn haren gingen overeind staan, net als bij een kat die wil vechten.

“Nou,” zei Anthea, nog altijd vriendelijk, “als we wisten wie u dan precies bent, konden we misschien iets bedenken om te zeggen waar u niet boos om werd. Tot nu toe lijkt u boos te zijn geworden om alles wat we gezegd hebben. Wie bent u? En niet boos worden! Want we weten het echt niet.”

“Jullie weten het niet?” zei het. “Nou, ik wist dat de wereld veranderd was – maar – nee, werkelijk – Willen jullie me nu heus vertellen dat jullie een Psammead niet herkennen als jullie er een zien?”

“Een Sammyadd? Dat is Grieks voor mij.”

“Voor iedereen,” zei het wezen scherp. “Goed, in gewoon Engels dan: een zandfee. Herkennen jullie een zandfee niet als jullie er een zien?”

Het keek zo bedroefd en gekwetst dat Jane haastig zei: “Natuurlijk zie ik nu wel dat u er een bent. Het is heel duidelijk, nu ik u zo bekijk.”

“Een paar zinnen geleden stond je me ook al te bekijken,” zei het knorrig, en het begon zich weer in het zand op te rollen.

“O – ga toch niet weer weg! Praat nog wat met ons,” riep Robert. “Ik wist niet dat u een zandfee was, maar zodra ik u zag, wist ik dat u verreweg het wonderbaarlijkste was dat ik ooit had gezien.”

Hierna leek de zandfee een tikje minder onaangenaam.

“Ik heb niets tegen praten,” zei het, “zolang jullie een beetje beleefd zijn. Maar ik ga niet voor jullie beleefd zitten keuvelen. Als jullie aardig tegen me praten, geef ik misschien antwoord, en misschien ook niet. Zeg nu maar iets.”

Natuurlijk kon niemand iets bedenken om te zeggen, maar ten slotte bedacht Robert: “Hoelang woont u hier al?” en hij zei het meteen.

“O, een eeuwigheid – een paar duizend jaar,” antwoordde de Psammead.

“Vertel ons er alles over. Toe.”

“Dat staat allemaal in boeken.”

“U niet!” zei Jane. “O, vertel ons alles wat u maar over uzelf kunt vertellen! We weten niets van u, en u bent zo aardig.”

De zandfee streek zijn lange, rattenachtige snorharen glad en glimlachte ertussendoor.

“Vertel toch alstublieft!” zeiden de kinderen allemaal tegelijk.

Het is wonderlijk hoe snel je aan de dingen went, zelfs aan de verbazingwekkendste. Vijf minuten eerder hadden de kinderen net zomin als jij enig idee gehad dat er zoiets als een zandfee op de wereld bestond, en nu praatten ze ermee alsof ze het hun leven lang hadden gekend.

Het trok zijn ogen in en zei –

“Wat is het zonnig – net als vroeger. Waar halen jullie je megatheriums tegenwoordig vandaan?”

“Wat?” zeiden de kinderen allemaal tegelijk. Het is heel moeilijk om er altijd aan te denken dat “wat” niet beleefd is, vooral als je verbaasd of opgewonden bent.

“Zijn er tegenwoordig veel pterodactylussen?” ging de zandfee verder.

De kinderen konden geen antwoord geven.

“Wat eten jullie bij het ontbijt?” zei de fee ongeduldig. “En wie geeft jullie dat?”

“Eieren met spek, en brood en melk, en pap en zo. Moeder geeft het ons. Wat zijn mega-hoe-heten-ze-ook-weer en ptero-hoe-noem-je-ze? En eet iemand die bij het ontbijt?”

“Maar in mijn tijd at bijna iedereen pterodactylus bij het ontbijt! Pterodactylussen leken een beetje op krokodillen en een beetje op vogels – volgens mij waren ze gegrild erg lekker. Kijk, het zat zo: natuurlijk waren er toen heel veel zandfeeën, en ’s morgens vroeg ging je eropuit om ze te zoeken, en als je er een had gevonden, vervulde het je wens. De mensen stuurden hun jongetjes ’s morgens vroeg vóór het ontbijt naar het strand om de wensen voor die dag te halen, en heel vaak kreeg de oudste jongen van het gezin de opdracht een megatherium te wensen, al in stukken gesneden om klaar te maken. Dat was zo groot als een olifant, snap je, dus daar zat heel wat vlees aan. En als ze vis wilden, vroegen ze om een ichthyosaurus – die was twintig tot veertig voet lang, dus daar was genoeg van. En voor het gevogelte was er de plesiosaurus; daar viel ook heel wat lekkers aan te kluiven. Dan konden de andere kinderen andere dingen wensen. Maar als de mensen gasten te eten kregen, waren het bijna altijd megatheriums; en ichthyosaurus, want zijn vinnen waren een grote lekkernij en van zijn staart maakte je soep.”

“Dan moeten er bergen en bergen koud vlees zijn overgebleven,” zei Anthea, die van plan was later een goede huisvrouw te worden.

“O nee,” zei de Psammead, “dat ging natuurlijk niet. Bij zonsondergang veranderde alles wat over was immers in steen. Zelfs nu nog vind je overal de versteende botten van het megatherium en zo, vertellen ze me.”

“Wie vertelt u dat?” vroeg Cyril; maar de zandfee fronste en begon heel snel met zijn harige handen te graven.

“O, ga niet weg!” riepen ze allemaal. “Vertel ons nog meer over de tijd dat je megatheriums bij het ontbijt kreeg! Zag de wereld er toen net zo uit?”

Het hield op met graven.

“Helemaal niet,” zei het. “Waar ik woonde, was bijna alleen maar zand, en steenkool groeide aan de bomen, en de alikruiken waren zo groot als theedienbladen – die vind je nu nog; ze zijn versteend. Wij zandfeeën woonden aan zee, en de kinderen kwamen met hun kleine vuurstenen schepjes en vuurstenen emmertjes en bouwden kastelen waarin wij konden wonen. Dat is duizenden jaren geleden, maar ik hoor dat kinderen nog steeds kastelen in het zand bouwen. Het is moeilijk om een gewoonte af te leren.”

“Maar waarom bent u niet in de kastelen blijven wonen?” vroeg Robert.

“Dat is een droevig verhaal,” zei de Psammead somber. “Dat kwam doordat ze zo nodig slotgrachten bij de kastelen moesten bouwen, en dan stroomde die nare, natte, borrelende zee naar binnen, en zodra een zandfee nat werd, vatte het natuurlijk kou en ging het meestal dood. En zo waren er steeds minder, en telkens als je een fee vond en een wens mocht doen, wenste je een megatherium en at je twee keer zoveel als je wilde, want het kon weken duren voordat je weer een wens kreeg.”

“En bent u nat geworden?” vroeg Robert.

De zandfee huiverde. “Eén keer maar,” zei het. “Het puntje van de twaalfde haar van mijn snor linksboven – bij vochtig weer voel ik die plek nog steeds. Het was maar één keer, maar dat was voor mij meer dan genoeg. Zodra de zon mijn arme lieve snor had gedroogd, ging ik weg. Ik schoot naar de achterkant van het strand en groef een huis voor mezelf diep in het warme, droge zand, en daar ben ik sindsdien gebleven. En later verhuisde de zee. En nu vertel ik jullie verder niets meer.”

“Nog maar één ding, alstublieft,” zeiden de kinderen. “Kunt u nu nog wensen vervullen?”

“Natuurlijk,” zei het. “Heb ik jullie wens een paar minuten geleden soms niet vervuld? Jullie zeiden: ‘Ik wou dat u tevoorschijn kwam,’ en dat deed ik.”

“O, mogen we er alstublieft nog een?”

“Ja, maar schiet op. Ik heb genoeg van jullie.”

Waarschijnlijk heb je vaak bedacht wat je zou doen als je drie wensen mocht doen, en heb je neergekeken op de oude man en zijn vrouw uit het verhaal van de bloedworst, en heb je zeker geweten dat jij, als je de kans kreeg, zonder een ogenblik te aarzelen drie echt nuttige wensen zou kunnen bedenken. Deze kinderen hadden daar vaak over gepraat, maar nu ze ineens de kans kregen, konden ze niet kiezen.

“Gauw,” zei de zandfee knorrig. Niemand kon iets bedenken, maar Anthea herinnerde zich tenminste nog een geheime wens van haar en Jane, waarover ze de jongens nooit hadden verteld. Ze wist dat de jongens er niet veel aan zouden vinden – maar toch was het beter dan niets.

“Ik wou dat we allemaal zo mooi als de dag waren,” zei ze heel haastig.

De kinderen keken elkaar aan, maar iedereen zag dat de anderen er niet mooier uitzagen dan anders. De Psammead schoof zijn lange ogen naar buiten en leek zijn adem in te houden en zich op te blazen tot het twee keer zo dik en harig was als daarvoor. Plotseling liet het zijn adem ontsnappen in een lange zucht.

“Ik ben echt bang dat het me niet lukt,” zei het verontschuldigend. “Ik zal wel uit de oefening zijn.”

De kinderen waren verschrikkelijk teleurgesteld.

“O, probeert u het toch nog eens!” zeiden ze.

“Tja,” zei de zandfee, “het zit zo: ik hield nog een beetje kracht achter om ook de wensen van de rest van jullie te kunnen vervullen. Als jullie met z’n allen genoegen nemen met één wens per dag, kan ik er denk ik wel genoeg kracht voor opbrengen. Vinden jullie dat goed?”

“Ja, o ja!” zeiden Jane en Anthea. De jongens knikten. Zij geloofden niet dat de zandfee het kon. Je kunt meisjes altijd veel gemakkelijker iets laten geloven dan jongens.

Het schoof zijn ogen verder uit dan ooit en zwol en zwol en zwol.

“Ik hoop toch zo dat het zichzelf geen pijn doet,” zei Anthea.

“En dat zijn vel niet scheurt,” zei Robert bezorgd.

Iedereen was heel opgelucht toen de zandfee, nadat het zo groot was geworden dat het bijna het hele gat in het zand vulde, plotseling zijn adem uitblies en weer zijn gewone omvang kreeg.

“Zo, dat is in orde,” zei het, zwaar hijgend. “Morgen zal het gemakkelijker gaan.”

“Deed het erg veel pijn?” vroeg Anthea.

“Alleen mijn arme snor, dank je,” zei het. “Maar jij bent een vriendelijk en attent kind. Goedendag.”

Het begon plotseling woest met zijn handen en voeten te krabben en verdween in het zand. Toen keken de kinderen elkaar aan, en ieder van hen was ineens alleen met drie volslagen vreemden, alle drie stralend mooi.

Ze stonden een paar ogenblikken doodstil. Ze dachten allemaal dat hun broers en zussen waren weggelopen en dat die vreemde kinderen onopgemerkt waren komen aansluipen terwijl ze naar de opzwellende zandfee keken. Anthea sprak het eerst –

“Neem me niet kwalijk,” zei ze heel beleefd tegen Jane, die nu enorme blauwe ogen en een wolk roodbruin haar had, “maar heb je hier ergens twee jongetjes en een meisje gezien?”

“Dat wilde ik net aan jou vragen,” zei Jane. En toen riep Cyril –

“Hé, jij bent het! Ik herken het gat in je schort! Je bent Jane, hè? En jij bent Panter; ik zie je vuile zakdoek die je vergat te verschonen nadat je in je duim had gesneden! Jeminee! De wens is toch uitgekomen. Zeg, ben ik net zo knap als jullie?”

“Als jij Cyril bent, vond ik je zoals je eerst was veel leuker,” zei Anthea beslist. “Je lijkt op het plaatje van de jonge koorknaap, met je goudblonde haar; het zou me niets verbazen als je jong doodging. En als dat Robert is, lijkt hij op een Italiaanse orgeldraaier. Zijn haar is helemaal zwart.”

“Dan lijken jullie twee op kerstkaarten – meer niet – suffe kerstkaarten,” zei Robert boos. “En Jane heeft gewoon peentjeshaar.”

Het had inderdaad die Venetiaanse tint die kunstenaars zo bewonderen.

“Nou, het heeft geen zin om op elkaar te vitten,” zei Anthea. “Laten we het Lammetje halen en hem naar huis sjouwen voor het middageten. De dienstboden zullen ons heel erg bewonderen, dat zullen jullie zien.”

Baby werd net wakker toen ze bij hem kwamen, en alle kinderen waren opgelucht dat hij tenminste niet zo mooi als de dag was, maar precies zoals anders.

“Hij is natuurlijk te jong om wensen te hebben, denk ik,” zei Jane. “We zullen hem de volgende keer uitdrukkelijk moeten noemen.”

Anthea rende naar hem toe en stak haar armen uit.

“Kom maar bij je eigen Panter, eendje,” zei ze.

De baby keek haar afkeurend aan en stak een zanderige roze duim in zijn mond. Anthea was zijn lievelingszus.

“Kom dan toch,” zei ze.

“Weg!” zei de baby.

“Kom maar bij je eigen Poes,” zei Jane.

“Wil m’n Pantje,” zei het Lammetje bedroefd, en zijn lip trilde.

“Hier, kom maar, Veteraan,” zei Robert, “kom maar een jitje maken op Jobbies rug.”

“Wèèh, stoute stoute jongen,” huilde de baby, die zich nu helemaal liet gaan. Toen wisten de kinderen het ergste. De baby herkende hen niet!

Ze keken elkaar wanhopig aan, en voor ieder van hen was het verschrikkelijk om in deze vreselijke nood alleen de mooie ogen van volslagen vreemden te zien, in plaats van de vrolijke, vriendelijke, gewone, twinkelende, gezellige oogjes van hun eigen broers en zussen.

“Dit is echt afschuwelijk,” zei Cyril, nadat hij het Lammetje had proberen op te tillen en het Lammetje had gekrabd als een kat en gebruld als een stier. “We moeten vriendjes worden met hem! Ik kan hem niet zo krijsend naar huis dragen. Stel je voor dat we vriendjes moeten worden met onze eigen baby! – Het is toch te mal.”

Maar dat was precies wat ze moesten doen. Het duurde meer dan een uur, en het werd er niet gemakkelijker op doordat het Lammetje inmiddels zo hongerig was als een leeuw en zo dorstig als een woestijn.

Ten slotte vond hij het goed dat deze vreemden hem om beurten naar huis droegen, maar omdat hij weigerde zich aan zulke nieuwe bekenden vast te houden, hing hij loodzwaar in hun armen, wat bijzonder vermoeiend was.

“Goddank, we zijn thuis!” zei Jane, terwijl ze door het ijzeren hek wankelde naar Martha, het kindermeisje, die bij de voordeur stond en met haar hand boven haar ogen angstig uitkeek. “Hier! Pak Baby toch aan!”

Martha griste de baby uit haar armen.

“Goddank, hij is weer veilig thuis,” zei ze. “Waar zijn de anderen, en wie zijn jullie in vredesnaam?”

“Wij zijn natuurlijk wij,” zei Robert.

“En wie is Wij dan wel, als ik vragen mag?” vroeg Martha spottend.

“Ik zeg toch dat wij het zijn, alleen zijn we zo mooi als de dag,” zei Cyril. “Ik ben Cyril en dit zijn de anderen, en we hebben geweldige honger. Laat ons binnen en wees niet zo’n stomme idioot.”

Martha foeterde alleen maar op Cyrils brutaliteit en probeerde de deur voor zijn neus dicht te doen.

“Ik weet dat we er anders uitzien, maar ik ben Anthea, en we zijn zo moe, en het is al lang over etenstijd heen.”

“Ga dan thuis eten, wie jullie ook zijn; en als onze kinderen jullie tot dit toneelspel hebben aangezet, kunnen jullie namens mij zeggen dat ze ervan zullen lusten, dan weten ze wat hun te wachten staat!” Daarop smeet ze de deur dicht. Cyril belde driftig aan. Geen antwoord. Even later stak de kokkin haar hoofd uit een slaapkamerraam en zei –

“Als jullie niet maken dat je wegkomt, en wel bliksemsnel, ga ik de politie halen.” En ze liet het raam met een klap zakken.

“Het helpt niets,” zei Anthea. “O, kom toch, kom toch mee voordat ze ons naar de gevangenis sturen!”

De jongens zeiden dat het onzin was en dat je volgens de Engelse wet niet in de gevangenis kon worden gestopt alleen omdat je zo mooi als de dag was, maar toch volgden ze de anderen het weggetje op.

“Na zonsondergang zullen we wel weer onszelf zijn,” zei Jane.

“Ik weet het niet,” zei Cyril somber. “Misschien gaat het nu niet meer zo – er is nogal wat veranderd sinds de tijd van het megatherium.”

“O,” riep Anthea plotseling, “misschien veranderen we bij zonsondergang in steen, net als de megatheriums, zodat er niemand van ons overblijft voor de volgende dag.”

Ze begon te huilen, en Jane ook. Zelfs de jongens werden bleek. Niemand kon het opbrengen iets te zeggen.

Het was een afschuwelijke middag. Er was geen huis in de buurt waar de kinderen om een korst brood of zelfs maar een glas water konden vragen. Ze durfden niet naar het dorp, want ze hadden Martha met een mand die kant op zien gaan, en er was ook een dorpsagent. Ze waren weliswaar allemaal zo mooi als de dag, maar dat is een schrale troost als je zo hongerig bent als een jager en zo dorstig als een spons.

Drie keer probeerden ze tevergeefs de dienstboden in het Witte Huis zover te krijgen dat die hen binnenlieten en naar hun verhaal luisterden. Toen ging Robert alleen, in de hoop door een van de achterramen naar binnen te kunnen klimmen en zo de deur voor de anderen open te doen. Maar alle ramen waren buiten zijn bereik, en Martha goot vanuit een van de bovenste ramen een waskan koud water over hem leeg en zei –

“Maak dat je wegkomt, jij akelig klein Italiaans aapje.”

Ten slotte gingen ze op een rij onder de heg zitten, met hun voeten in een droge sloot, wachtend op de zonsondergang en zich afvragend of ze, wanneer de zon eenmaal onderging, in steen zouden veranderen of alleen weer hun oude, gewone zelf zouden worden; en ieder voelde zich nog steeds eenzaam, tussen vreemden, en probeerde niet naar de anderen te kijken, want al waren hun stemmen nog dezelfde, hun gezichten waren zo stralend mooi dat het gewoon ergerlijk was om ernaar te kijken.

“Ik geloof niet dat we in steen zullen veranderen,” zei Robert, waarmee hij een lange, ellendige stilte verbrak, “want de zandfee zei dat het ons morgen nog een wens zou geven, en dat zou toch niet kunnen als we van steen waren?”

De anderen zeiden “Nee”, maar gerustgesteld waren ze allerminst.

Een nieuwe stilte, nog langer en ellendiger, werd verbroken toen Cyril plotseling zei: “Ik wil jullie meisjes niet bang maken, maar volgens mij begint het bij mij al. Mijn voet is helemaal dood. Ik verander in steen, ik weet het zeker, en jullie dadelijk ook.”

“Geeft niet,” zei Robert vriendelijk. “Misschien ben jij de enige die van steen wordt en komt het met de rest van ons goed, en dan zullen we je standbeeld koesteren en er kransen aan hangen.”

Maar toen bleek dat Cyrils voet alleen maar sliep doordat hij er te lang op had gezeten, en het gevoel terugkwam met een afschuwelijk geprik en getintel, werden de anderen behoorlijk boos.

“Ons voor niets zo laten schrikken!” zei Anthea.

De derde en ellendigste stilte van allemaal werd door Jane verbroken. Ze zei –

“Als we hier heelhuids uitkomen, zullen we de Sammyadd vragen ervoor te zorgen dat de dienstboden niets bijzonders merken, wat voor wensen we ook doen.”

De anderen bromden alleen maar. Ze voelden zich te ellendig om zich zelfs maar iets goeds voor te nemen.

Ten slotte brachten honger en angst en humeurigheid en vermoeidheid – vier heel nare dingen – samen één fijn ding voort, en dat was slaap. De kinderen lagen op een rij te slapen, met hun mooie ogen dicht en hun mooie monden open. Anthea werd het eerst wakker. De zon was onder en de schemering viel.

Anthea kneep zichzelf heel hard om het zeker te weten, en toen ze merkte dat ze het knijpen nog kon voelen, besloot ze dat ze niet van steen was, en toen kneep ze de anderen. Ook zij waren zacht.

“Wakker worden,” zei ze, bijna huilend van vreugde. “Het is in orde, we zijn niet van steen. En o, Cyril, wat zie je er heerlijk lelijk uit, met je oude sproeten en je bruine haar en je kleine ogen. En jullie ook allemaal!” voegde ze eraan toe, zodat ze niet jaloers zouden worden.

Thuis kregen ze een flink standje van Martha, die hun over de vreemde kinderen vertelde.

“Een knap stel, dat moet ik zeggen, maar brutaal dat ze waren.”

“Ik weet het,” zei Robert, die uit ervaring wist dat het vergeefse moeite zou zijn om Martha iets uit te leggen.

“En waar zijn jullie al die tijd in vredesnaam geweest, jullie kleine deugnieten?”

“Op het weggetje.”

“Waarom zijn jullie dan niet uren geleden al thuisgekomen?”

“Dat kon niet door hen,” zei Anthea.

“Wie?”

“De kinderen die zo mooi als de dag waren. Die hielden ons daar tot na zonsondergang. We konden pas terug toen ze weg waren. Je weet niet hoe erg we ze haatten! O, toe, toe, geef ons wat avondeten – we hebben zo’n honger.”

“Honger! Dat zou ik denken,” zei Martha boos. “Zo de hele dag buiten! Nou, ik hoop dat dit jullie leert om niet met vreemde kinderen aan te pappen – die zijn hier waarschijnlijk om van de mazelen bij te komen! Denk erom, als jullie ze weer zien, praten jullie niet tegen ze – geen woord en zelfs geen blik – maar komen jullie meteen bij mij om het te vertellen. Ik zal ze wel van hun schoonheid afhelpen!”

“Als we ze ooit toch weer zien, zullen we het je vertellen,” zei Anthea; en Robert, die zijn blik vol liefde richtte op het koude rundvlees dat de kokkin op een dienblad binnenbracht, voegde er uit de grond van zijn hart zachtjes aan toe –

“En we zullen er verdraaid goed voor zorgen dat we ze nooit meer zien.”

En ze hebben hen nooit meer gezien.


Cookie- en privacyvoorkeuren

U houdt de controle over uw gegevens

Lees meer over de cookies die we gebruiken en kies welke cookies u toestaat.

  • Deze cookies zijn nodig om de website goed te laten werken, bijvoorbeeld om in te loggen en artikelen aan uw winkelmandje toe te voegen.

  • Deze cookies slaan gegevens over uw activiteiten op om uw volgende bezoek aan de website te personaliseren.

  • Wij en onze partners, waaronder Shopify, gebruiken deze cookies om marketingcommunicatie te optimaliseren en u advertenties op andere websites te tonen.

  • Deze cookies helpen ons te begrijpen hoe u de website gebruikt. We gebruiken deze gegevens om te bepalen wat we kunnen verbeteren.