De onschuldigen
Henry James
Hoofdstuk 1
Ik herinner mij dat hele begin als een opeenvolging van opvluchten en inzinkingen, een licht geschommel van mijn hart, dat nu eens goed, dan weer verkeerd klopte. Nadat ik in de stad vol goede moed op zijn verzoek was ingegaan, volgden er in elk geval een paar heel nare dagen – ik begon weer te twijfelen, was er zelfs zeker van dat ik een vergissing had begaan. In die stemming bracht ik de lange uren door in de hotsende, slingerende postkoets die mij naar de halteplaats voerde waar een rijtuig van het huis mij zou afhalen. Daarvoor was gezorgd, zo had men mij verteld, en tegen het einde van de junimiddag trof ik een ruim huurrijtuig aan dat op mij wachtte. Terwijl ik op dat uur van die heerlijke dag door een landschap reed dat mij met zijn zomerse lieflijkheid vriendelijk welkom scheen te heten, groeide mijn moed opnieuw; toen wij de oprijlaan insloegen, voelde ik een opluchting die waarschijnlijk alleen maar bewees hoe diep mijn moed voordien gezonken was. Ik vermoed dat ik iets zo naargeestigs had verwacht, of gevreesd, dat wat mij begroette een aangename verrassing was. Als een bijzonder aangename indruk herinner ik mij de brede, lichte voorgevel met zijn open ramen en frisse gordijnen en de twee dienstmeisjes die naar buiten keken; ik herinner mij het grasveld en de kleurige bloemen en het knarsen van mijn wielen op het grind en de dicht opeenstaande boomkruinen waarboven de roeken rondcirkelden en krasten in de gouden hemel. Het geheel had iets groots waardoor het van een heel andere orde was dan mijn eigen schamele thuis, en dadelijk verscheen er in de deuropening een beleefde vrouw die een klein meisje bij de hand hield en een even keurige kniks voor mij maakte als was ik de vrouw des huizes of een aanzienlijke gast. In Harley Street had ik een bescheidener voorstelling van het landgoed gekregen, en toen ik mij dat herinnerde, leek de eigenaar mij des te meer een heer; het deed mij vermoeden dat mij hier misschien meer ten deel zou vallen dan hij had beloofd.
Ik kende pas de volgende dag weer een inzinking, want de kennismaking met de jongste van mijn leerlingen droeg mij in triomf door de uren die volgden. Het kleine meisje dat mevrouw Grose vergezelde, leek mij meteen zo’n bekoorlijk wezentje dat ik het een groot geluk vond met haar van doen te krijgen. Zij was het mooiste kind dat ik ooit had gezien, en later verwonderde het mij dat mijn werkgever mij niet meer over haar had verteld. Ik sliep die nacht weinig – ik was te opgewonden; en ook dat verbaasde mij, herinner ik mij, bleef mij bij en deed mij nog sterker beseffen hoe gul men mij behandelde. De grote, indrukwekkende kamer, een van de mooiste van het huis, het grote bed, in mijn ogen haast een staatsiebed, de volle, gedessineerde draperieën, de hoge spiegels waarin ik mijzelf voor het eerst van top tot teen kon zien: het kwam mij allemaal – net als de buitengewone bekoorlijkheid van mijn kleine leerlinge – voor als evenzovele toegiften. Dat ik goed met mevrouw Grose kon opschieten, was van het eerste ogenblik af eveneens een toegift; over onze verhouding had ik onderweg, in de postkoets, naar ik vrees nogal zitten tobben. Het enige wat mij bij die eerste vooruitblik weer had kunnen doen terugdeinzen, was eigenlijk het onmiskenbare feit dat zij zo blij was mij te zien. Binnen een halfuur merkte ik dat zij zo blij was – een gezette, eenvoudige, weinig knappe, zindelijke, gezonde vrouw – dat zij er werkelijk voor waakte er te veel van te laten blijken. Ik vroeg mij zelfs toen al een beetje af waarom zij dat niet wilde laten blijken, en dat had mij, bij enig nadenken, bij enige argwaan, natuurlijk ongerust kunnen maken.
Maar het was een troost dat er in een band met iets zo zaligs als de stralende verschijning van mijn kleine meisje geen plaats kon zijn voor ongerustheid; het beeld van haar engelachtige schoonheid had waarschijnlijk meer dan iets anders te maken met de rusteloosheid die mij vóór de ochtend meermalen deed opstaan en door mijn kamer dwalen om het hele tafereel en het uitzicht in mij op te nemen; om vanuit mijn open raam naar de bleke zomerdageraad te kijken, die gedeelten van de rest van het huis te bekijken die ik kon zien, en, terwijl in de wijkende schemering de eerste vogels begonnen te tjilpen, te luisteren of een of twee minder natuurlijke geluiden die ik niet buiten maar binnen had menen te horen misschien opnieuw klonken. Er was een ogenblik geweest waarop ik, zwak en ver weg, de kreet van een kind meende te herkennen; op een ander ogenblik had ik nog net gemerkt dat ik opschrok, alsof er een lichte voetstap langs mijn deur klonk. Maar die inbeeldingen waren niet zo sterk dat ik ze niet van mij af kon zetten, en het is alleen in het licht, of liever in het duister, van andere, latere gebeurtenissen dat ze mij nu weer te binnen schieten. Over kleine Flora waken, haar lesgeven, haar “vormen” zou mij maar al te duidelijk een gelukkig en nuttig leven bezorgen. Beneden hadden wij afgesproken dat zij na deze eerste keer voortaan vanzelfsprekend ’s nachts bij mij zou slapen; haar witte bedje stond daartoe al in mijn kamer. Ik had de volledige zorg voor haar op mij genomen, en zij was alleen deze laatste keer nog bij mevrouw Grose gebleven omdat wij rekening hadden gehouden met mijn onvermijdelijke onwennigheid en haar natuurlijke schuchterheid. Ondanks die schuchterheid – het kind was er zelf, op de vreemdste manier ter wereld, volkomen open en dapper mee omgegaan en had zonder een spoor van ongemakkelijk zelfbewustzijn, ja, met de diepe, zoete rust van een van Rafaëls heilige kinderen, toegelaten dat erover gesproken werd, dat men haar die toeschreef en dat die onze beslissing bepaalde – was ik er volkomen zeker van dat zij mij weldra graag zou mogen. Een van de redenen waarom ik ook mevrouw Grose zelf al graag mocht, was het genoegen dat ik haar zag beleven aan mijn bewondering en verwondering terwijl ik aan het avondmaal zat, bij vier hoge kaarsen en met mijn leerlinge daartussen stralend tegenover mij, in een hoge stoel en met een slabbetje voor, bij haar brood en melk. Er waren natuurlijk dingen die wij in Flora’s bijzijn alleen konden uitwisselen in uitbundige, voldane blikken en verhulde, omslachtige toespelingen.
“En de kleine jongen – lijkt hij op haar? Is hij ook zo heel bijzonder?”
Een kind moest men niet vleien. “O, juffrouw, heel bijzonder. Als u deze al zo bijzonder vindt!” – en zij stond daar met een bord in haar hand te stralen naar ons gezelschap, dat van de een naar de ander keek met kalme, hemelse ogen waarin niets lag wat ons kon weerhouden.
“Ja; als ik haar al bijzonder vind –?”
“Het heertje zal u in vervoering brengen!”
“Nu, daar ben ik, geloof ik, voor gekomen – om in vervoering te raken. Ik ben alleen bang,” voelde ik, herinner ik mij, de neiging eraan toe te voegen, “dat ik nogal gemakkelijk in vervoering raak. In Londen raakte ik in vervoering!”
Ik zie het brede gezicht van mevrouw Grose nog voor mij toen zij dit tot zich liet doordringen. “In Harley Street?”
“In Harley Street.”
“Wel, juffrouw, u bent niet de eerste – en u zult niet de laatste zijn.”
“O, ik heb niet de pretentie,” kon ik lachend zeggen, “de enige te zijn. Mijn andere leerling komt in elk geval, als ik het goed heb begrepen, morgen terug?”
“Niet morgen – vrijdag, juffrouw. Hij komt, net als u, met de postkoets, onder de hoede van de conducteur, en wordt met hetzelfde rijtuig afgehaald.”
Ik zei daarop meteen dat het dus zowel gepast als aangenaam en vriendelijk zou zijn als ik hem bij aankomst van de postkoets samen met zijn zusje stond op te wachten; mevrouw Grose stemde zo hartelijk met dat denkbeeld in dat ik haar houding op de een of andere manier opvatte als een soort geruststellende belofte – die, de hemel zij dank, nooit is gelogenstraft! – dat wij het over iedere kwestie volkomen eens zouden zijn. O, wat was zij blij dat ik er was!
Wat ik de volgende dag voelde, kon men, vermoed ik, niet met recht een terugslag op de blijdschap van mijn aankomst noemen; het was waarschijnlijk hoogstens een lichte beklemming doordat ik mij, terwijl ik rondliep, omhoogkeek en alles in mij opnam, een vollediger beeld vormde van de omvang van mijn nieuwe wereld. Die had als het ware een uitgestrektheid en een massa waarop ik niet voorbereid was geweest; tegenover dat alles voelde ik mij opnieuw een beetje bang en ook een beetje trots. De lessen moesten in die opwinding beslist nog even wachten; ik bedacht dat het mijn eerste plicht was het kind met de zachtste middelen die ik kon bedenken het gevoel te geven dat zij mij kende. Ik bracht de dag met haar buiten door; tot haar grote voldoening sprak ik met haar af dat zij, zij alleen, mij het landgoed mocht laten zien. Zij liet het mij stap voor stap zien en kamer voor kamer en geheim voor geheim, met grappig, verrukkelijk kindergepraat, zodat wij binnen een halfuur de dikste vrienden waren geworden. Tijdens onze kleine rondgang troffen mij telkens weer, zo jong als zij was, haar zelfvertrouwen en moed, de manier waarop in lege kamers en sombere gangen, op kronkelige trappen die mij deden aarzelen en zelfs boven op een oude vierkante toren met werpgaten waar ik duizelig van werd, haar ochtendmuziek, haar neiging mij zoveel meer te vertellen dan te vragen, opklonk en mij verder leidde. Ik heb Bly sinds de dag van mijn vertrek niet teruggezien, en ik vermoed dat het mij nu, met mijn oudere en meer ervaren ogen, heel wat kleiner zou voorkomen. Maar terwijl mijn kleine gids, met haar goudblonde haar en haar blauwe jurkje, voor mij uit om hoeken danste en door gangen trippelde, zag ik een kasteel als uit een roman voor mij, bewoond door een rozig elfje, zo’n oord dat op de een of andere manier, tot vermaak van de jonge verbeelding, verhalenboeken en sprookjes van al hun kleur zou beroven. Was het niet gewoon een verhalenboek waarboven ik was ingedommeld en aan het dromen geraakt? Nee; het was een groot, lelijk, oud maar gerieflijk huis, dat nog enkele trekken bewaarde van een nog ouder gebouw, half vervangen en half benut, en waarin wij, zo verbeeldde ik mij, bijna even verloren waren als een handvol passagiers op een groot, ronddrijvend schip. En ik stond, wonderlijk genoeg, aan het roer!




