Naar hoofdinhoud

Lees hoofdstuk 1 gratis. Zonder aanmelden.

Zoek op boek of genre
Winkelwagen

Je winkelwagen is leeg.

Bekijk alle boeken

Menu openen of sluiten
Omslag van het boek ‘Het portret van Dorian Gray’ van Oscar Wilde

Gratis leesfragment

Het portret van Dorian Gray

Van Oscar Wilde

Klassieker in het publieke domein van Oscar Wilde · Nieuwe vertaling door NovelSpell

Kies je editie

Het portret van Dorian Gray

Oscar Wilde

Hoofdstuk 1

Het atelier was vervuld van de rijke geur van rozen, en wanneer de lichte zomerwind door de bomen in de tuin streek, kwam door de open deur de zware geur van de sering naar binnen, of het fijnere parfum van de roze bloeiende meidoorn.

Vanuit de hoek van de met Perzische zadeltassen beklede divan, waarop hij lag en zoals gewoonlijk talloze sigaretten rookte, kon lord Henry Wotton nog net de honingzoete en honingkleurige bloesems van een goudenregen zien glanzen, waarvan de bevende takken de last van hun vlammende schoonheid nauwelijks schenen te kunnen dragen; en nu en dan gleden de grillige schaduwen van vliegende vogels over de lange gordijnen van tussorzijde die voor het reusachtige raam gespannen waren, wat een vluchtig Japans effect gaf en hem deed denken aan de bleke schilders uit Tokio met hun gezichten van jade, die door middel van een noodzakelijkerwijs onbeweeglijke kunst de indruk van snelheid en beweging trachten weer te geven. Het sombere gegons van de bijen, die zich door het hoge ongemaaide gras heen drongen of met eentonige hardnekkigheid rond de stoffige, vergulde hoorntjes van de warrig uitgroeiende kamperfoelie cirkelden, leek de stilte nog drukkender te maken. Het gedempte geraas van Londen klonk als de bourdontoon van een ver orgel.

Midden in het vertrek stond, vastgeklemd op een rechtopstaande schildersezel, het portret ten voeten uit van een jongeman van buitengewone schoonheid, en op enige afstand ervoor zat de kunstenaar zelf, Basil Hallward, wiens plotselinge verdwijning enkele jaren geleden destijds zoveel opzien baarde en tot zoveel vreemde gissingen aanleiding gaf.

Terwijl de schilder naar de bevallige, fraaie gestalte keek die hij zo kundig in zijn kunst had weerspiegeld, gleed een glimlach van genoegen over zijn gezicht, die daar leek te willen blijven. Maar plotseling sprong hij op, sloot zijn ogen en legde zijn vingers op de oogleden, alsof hij in zijn brein een wonderlijke droom gevangen wilde houden waaruit hij vreesde te ontwaken.

“Het is je beste werk, Basil, het beste wat je ooit hebt gemaakt,” zei lord Henry loom. “Je moet het volgend jaar beslist naar de Grosvenor sturen. De Academy is te groot en te vulgair. Telkens als ik er kwam, waren er óf zoveel mensen dat ik de schilderijen niet kon zien, wat vreselijk was, óf zoveel schilderijen dat ik de mensen niet kon zien, wat nog erger was. De Grosvenor is werkelijk de enige plaats.”

“Ik geloof niet dat ik het ergens zal inzenden,” antwoordde hij, terwijl hij zijn hoofd achterover wierp op die eigenaardige manier die in Oxford altijd de lachlust van zijn vrienden had gewekt. “Nee, ik zal het nergens inzenden.”

Lord Henry trok zijn wenkbrauwen op en keek hem verbaasd aan door de dunne blauwe rookkransen die in zulke grillige spiralen uit zijn zware, met opium vermengde sigaret opstegen. “Nergens inzenden? Mijn beste vriend, waarom? Heb je daar een reden voor? Wat zijn jullie schilders toch zonderlinge kerels! Jullie doen alles ter wereld om naam te maken. Zodra jullie een naam hebben, lijken jullie die weer te willen weggooien. Dat is dwaas van jullie, want er bestaat maar één ding dat erger is dan dat er over je gesproken wordt, en dat is dat er niet over je gesproken wordt. Een portret als dit zou je ver boven alle jonge mannen in Engeland verheffen en de oude mannen heel jaloers maken, als oude mannen tenminste ooit tot enig gevoel in staat zijn.”

“Ik weet dat je me zult uitlachen,” antwoordde hij, “maar ik kan het werkelijk niet tentoonstellen. Ik heb er te veel van mezelf in gelegd.”

Lord Henry strekte zich uit op de divan en lachte.

“Ja, ik wist wel dat je zou lachen; maar het is toch heus waar.”

“Te veel van jezelf erin! Op mijn woord, Basil, ik wist niet dat je zo ijdel was; en ik kan werkelijk geen enkele gelijkenis ontdekken tussen jou, met je ruige, krachtige gezicht en je gitzwarte haar, en deze jonge Adonis, die wel van ivoor en rozenblaadjes gemaakt lijkt. Maar mijn beste Basil, hij is een Narcissus, en jij – nou ja, je hebt natuurlijk een intellectuele uitdrukking en zo. Maar schoonheid, echte schoonheid, houdt op waar een intellectuele uitdrukking begint. Intellect is op zichzelf een vorm van overdrijving en verstoort de harmonie van elk gezicht. Zodra iemand gaat zitten nadenken, wordt hij één en al neus, of één en al voorhoofd, of iets afschuwelijks. Kijk naar de succesvolle mannen in de academische beroepen. Wat zijn ze volmaakt afzichtelijk! Behalve in de Kerk, natuurlijk. Maar in de Kerk denken ze dan ook niet na. Een bisschop zegt op zijn tachtigste nog altijd wat hem als jongen van achttien werd voorgezegd, met als natuurlijk gevolg dat hij er altijd ronduit verrukkelijk uitziet. Je geheimzinnige jonge vriend, wiens naam je me nooit hebt verteld, maar wiens portret me werkelijk fascineert, denkt nooit na. Daar ben ik volkomen zeker van. Hij is een of ander mooi, hersenloos wezen dat hier altijd zou moeten zijn in de winter, als we geen bloemen hebben om naar te kijken, en altijd hier in de zomer, als we ons verstand wat verkoeling willen geven. Beeld je niets in, Basil: je lijkt in de verste verte niet op hem.”

“Je begrijpt me niet, Harry,” antwoordde de kunstenaar. “Natuurlijk lijk ik niet op hem. Dat weet ik heel goed. Ik zou het zelfs betreuren als ik op hem leek. Je haalt je schouders op? Ik vertel je de waarheid. Alle lichamelijke en geestelijke voortreffelijkheid draagt iets noodlottigs in zich, het soort noodlot dat door de hele geschiedenis heen de wankele schreden van koningen lijkt te achtervolgen. Het is beter je niet van je medemensen te onderscheiden. De lelijke en de domme mensen hebben het in deze wereld het best. Ze kunnen op hun gemak naar het schouwspel zitten gapen. Al kennen ze de overwinning niet, ze blijven tenminste gespaard voor de ervaring van een nederlaag. Ze leven zoals wij allemaal zouden moeten leven – ongestoord, onverschillig en zonder onrust. Ze richten anderen niet te gronde en worden zelf ook nooit door vreemde handen te gronde gericht. Jouw rang en rijkdom, Harry; mijn verstand, wat het ook voorstelt – mijn kunst, wat ze ook waard mag zijn; Dorian Grays schoonheid – we zullen allemaal lijden onder wat de goden ons geschonken hebben, verschrikkelijk lijden.”

“Dorian Gray? Is dat zijn naam?” vroeg lord Henry, terwijl hij door het atelier naar Basil Hallward toe liep.

“Ja, zo heet hij. Ik was niet van plan je zijn naam te vertellen.”

“Maar waarom niet?”

“O, dat kan ik niet uitleggen. Als ik bijzonder op mensen gesteld ben, vertel ik hun naam nooit aan iemand. Het is alsof je een deel van hen prijsgeeft. Ik ben van geheimen gaan houden. Het lijkt het enige wat het moderne leven voor ons geheimzinnig of wonderbaarlijk kan maken. Het allergewoonste is verrukkelijk als je het maar verborgen houdt. Als ik tegenwoordig de stad verlaat, vertel ik de mensen thuis nooit waar ik heen ga. Als ik dat deed, zou het hele plezier er voor mij af zijn. Het is een dwaze gewoonte, dat zal wel, maar op de een of andere manier lijkt ze heel wat romantiek in je leven te brengen. Je zult dat wel heel dwaas van me vinden?”

“Helemaal niet,” antwoordde lord Henry, “helemaal niet, mijn beste Basil. Je schijnt te vergeten dat ik getrouwd ben, en de enige bekoring van het huwelijk is dat het een leven vol bedrog voor beide partijen volstrekt noodzakelijk maakt. Ik weet nooit waar mijn vrouw is, en mijn vrouw weet nooit wat ik doe. Wanneer we elkaar zien – we zien elkaar af en toe, als we samen uit dineren gaan of naar de hertog gaan – vertellen we elkaar met het ernstigste gezicht de onzinnigste verhalen. Mijn vrouw kan het heel goed – veel beter dan ik, eigenlijk. Zij haalt haar datums nooit door elkaar, en ik altijd. Maar als ze me betrapt, maakt ze helemaal geen scène. Soms zou ik willen dat ze het deed; maar ze lacht me alleen maar uit.”

“Ik kan er niet tegen dat je zo over je huwelijk praat, Harry,” zei Basil Hallward, terwijl hij naar de deur slenterde die naar de tuin leidde. “Ik geloof dat je in werkelijkheid een heel goede echtgenoot bent, maar dat je je diep schaamt voor je eigen deugden. Je bent een buitengewone kerel. Je zegt nooit iets deugdzaams en je doet nooit iets verkeerds. Je cynisme is louter een pose.”

“Natuurlijkheid is louter een pose, en de ergerlijkste pose die ik ken,” riep lord Henry lachend; en de twee jonge mannen gingen samen de tuin in en nestelden zich op een lange bamboebank die in de schaduw van een hoge laurierstruik stond. Het zonlicht gleed over de glanzende bladeren. In het gras beefden witte madeliefjes.

Na een stilte haalde lord Henry zijn horloge tevoorschijn. “Ik vrees dat ik moet gaan, Basil,” mompelde hij, “en voor ik ga, sta ik erop dat je een vraag beantwoordt die ik je enige tijd geleden gesteld heb.”

“Welke vraag?” zei de schilder, zonder zijn blik van de grond op te slaan.

“Dat weet je heel goed.”

“Dat weet ik niet, Harry.”

“Goed, dan zal ik het je zeggen. Ik wil dat je me uitlegt waarom je het portret van Dorian Gray niet wilt tentoonstellen. Ik wil de werkelijke reden.”

“Die heb ik je verteld.”

“Nee, dat heb je niet. Je zei dat er te veel van jezelf in zat. Maar dat is kinderachtig.”

“Harry,” zei Basil Hallward, terwijl hij hem recht in het gezicht keek, “elk portret dat met gevoel geschilderd is, is een portret van de kunstenaar, niet van de geportretteerde. De geportretteerde is slechts het toeval, de aanleiding. Niet hij wordt door de schilder onthuld; het is veeleer de schilder die zichzelf op het beschilderde doek onthult. De reden dat ik dit portret niet wil tentoonstellen, is dat ik bang ben dat ik er het geheim van mijn eigen ziel in heb blootgelegd.”

Lord Henry lachte. “En wat is dat dan?” vroeg hij.

“Ik zal het je vertellen,” zei Hallward; maar op zijn gezicht verscheen een uitdrukking van verwarring.

“Ik ben een en al verwachting, Basil,” ging zijn metgezel verder, terwijl hij hem even aankeek.

“Ach, er valt werkelijk maar heel weinig te vertellen, Harry,” antwoordde de schilder, “en ik ben bang dat je het haast niet zult begrijpen. Misschien zul je het haast niet geloven.”

Lord Henry glimlachte, boog zich voorover, plukte een madeliefje met roze bloemblaadjes uit het gras en bekeek het. “Ik weet heel zeker dat ik het zal begrijpen,” antwoordde hij, aandachtig starend naar het kleine gouden schijfje met zijn witte veertjes, “en wat geloven betreft: ik kan alles geloven, mits het maar volstrekt ongelooflijk is.”

De wind schudde wat bloesems uit de bomen, en de zware seringentrossen met hun opeengepakte sterren wiegden heen en weer in de lome lucht. Bij de muur begon een sprinkhaan te sjirpen, en als een blauwe draad zweefde een lange, dunne libel voorbij op vleugels van bruin gaas. Lord Henry had het gevoel dat hij Basil Hallwards hart kon horen kloppen en vroeg zich af wat er nu zou komen.

“Het verhaal is eenvoudig dit,” zei de schilder na enige tijd. “Twee maanden geleden ging ik naar een drukbezochte ontvangst bij lady Brandon. Je weet dat wij arme kunstenaars ons van tijd tot tijd in de mondaine wereld moeten vertonen, alleen maar om het publiek eraan te herinneren dat we geen wilden zijn. Met een rokjas en een witte das kan iedereen, zelfs een effectenmakelaar, voor beschaafd doorgaan, zoals je me ooit hebt gezegd. Nu, toen ik een minuut of tien in de zaal was en met kolossale, overdadig uitgedoste douairières en saaie academieleden stond te praten, werd ik me er plotseling van bewust dat iemand naar me keek. Ik draaide me half om en zag Dorian Gray voor het eerst. Toen onze blikken elkaar ontmoetten, voelde ik dat ik verbleekte. Een vreemd gevoel van ontzetting kwam over me. Ik wist dat ik tegenover iemand stond wiens persoonlijkheid alleen al zo fascinerend was dat die, als ik het toeliet, mijn hele wezen, mijn hele ziel, zelfs mijn kunst zou opslokken. Ik wilde geen enkele invloed van buitenaf in mijn leven. Je weet zelf, Harry, hoe onafhankelijk ik van nature ben. Ik ben altijd mijn eigen meester geweest; dat was ik tenminste altijd geweest tot ik Dorian Gray ontmoette. Toen – maar ik weet niet hoe ik het je moet uitleggen. Iets leek me te zeggen dat ik in mijn leven aan de vooravond van een verschrikkelijke crisis stond. Ik had het vreemde gevoel dat het lot intense vreugden en intense smarten voor mij in petto had. Ik werd bang en wendde me af om de zaal te verlaten. Niet mijn geweten bracht me daartoe: het was een soort lafheid. Ik acht het geen verdienste dat ik probeerde te ontkomen.”

“Geweten en lafheid zijn eigenlijk hetzelfde, Basil. Geweten is de handelsnaam van de firma. Dat is alles.”

“Dat geloof ik niet, Harry, en ik geloof ook niet dat jij het gelooft. Maar wat mijn beweegreden ook was – misschien was het trots, want ik was vroeger heel trots – ik worstelde me in elk geval naar de deur. Daar liep ik natuurlijk tegen lady Brandon aan. ‘U gaat er toch niet nu al vandoor, meneer Hallward?’ gilde ze. Je kent haar eigenaardig schelle stem toch wel?”

“Ja; ze heeft alles van een pauw, behalve de schoonheid,” zei lord Henry, terwijl hij het madeliefje met zijn lange, nerveuze vingers uiteenplukte.

“Ik kon niet van haar afkomen. Ze stelde me voor aan leden van vorstenhuizen, aan mensen met ordesterren en kousenbanden en aan oudere dames met reusachtige diademen en papegaaienneuzen. Ze sprak over mij als haar dierbaarste vriend. Ik had haar nog maar één keer eerder ontmoet, maar ze had het in haar hoofd gehaald mij als een beroemdheid te behandelen. Ik geloof dat een van mijn schilderijen in die tijd veel succes had gehad; er was tenminste over gekletst in de pennykranten, wat in de negentiende eeuw als maatstaf voor onsterfelijkheid geldt. Plotseling stond ik tegenover de jongeman wiens persoonlijkheid me zo wonderlijk in beroering had gebracht. We stonden vlak bij elkaar, bijna tegen elkaar aan. Onze blikken kruisten elkaar opnieuw. Het was roekeloos van me, maar ik vroeg lady Brandon me aan hem voor te stellen. Misschien was het toch niet zo roekeloos. Het was eenvoudig onvermijdelijk. Ook zonder aan elkaar te zijn voorgesteld zouden we met elkaar hebben gesproken. Daar ben ik zeker van. Dorian heeft het me later zelf gezegd. Ook hij voelde dat wij voorbestemd waren elkaar te leren kennen.”

“En hoe beschreef lady Brandon die wonderbaarlijke jongeman?” vroeg zijn metgezel. “Ik weet dat ze graag een snelle précis van al haar gasten geeft. Ik herinner me dat ze me eens voorstelde aan een strijdlustige oude heer met een rood gezicht, helemaal behangen met ordetekens en linten, en me de verbazingwekkendste bijzonderheden in het oor siste, in een tragisch gefluister dat iedereen in de zaal beslist kon verstaan. Ik sloeg eenvoudig op de vlucht. Ik ontdek graag zelf hoe mensen zijn. Maar lady Brandon behandelt haar gasten precies zoals een veilingmeester zijn waren behandelt. Óf ze geeft zoveel uitleg over hen dat er niets van hen overblijft, óf ze vertelt je alles over hen behalve wat je wilt weten.”

“Arme lady Brandon! Je bent hard voor haar, Harry!” zei Hallward lusteloos.

“Mijn beste vriend, ze probeerde een salon op te richten en slaagde er alleen in een restaurant te openen. Hoe zou ik haar kunnen bewonderen? Maar vertel eens, wat zei ze over meneer Dorian Gray?”

“O, iets als: ‘Charmante jongen – zijn arme, lieve moeder en ik volstrekt onafscheidelijk. Helemaal vergeten wat hij doet – vrees dat hij – niets doet – o ja, speelt piano – of is het viool, beste meneer Gray?’ Geen van beiden konden we ons lachen houden en we werden meteen vrienden.”

“Lachen is bepaald geen slecht begin van een vriendschap, en verreweg het beste einde,” zei de jonge lord, terwijl hij weer een madeliefje plukte.

Hallward schudde zijn hoofd. “Je begrijpt niet wat vriendschap is, Harry,” mompelde hij, “of wat vijandschap is, trouwens. Je vindt iedereen aardig; dat wil zeggen, iedereen laat je onverschillig.”

“Wat ben je afschuwelijk onrechtvaardig!” riep lord Henry, terwijl hij zijn hoed naar achteren schoof en opkeek naar de kleine wolken die als uiteengerafelde strengen glanzende witte zijde over de turkooizen welving van de zomerhemel dreven. “Ja, afschuwelijk onrechtvaardig. Ik maak een groot onderscheid tussen mensen. Ik kies mijn vrienden om hun knappe uiterlijk, mijn kennissen om hun goede karakter en mijn vijanden om hun scherpe verstand. Een man kan niet voorzichtig genoeg zijn bij de keuze van zijn vijanden. Niet één van hen is een dwaas. Het zijn allemaal mannen met een zeker intellectueel vermogen, en daarom weten ze me allemaal te waarderen. Is dat heel ijdel van me? Ik vind het nogal ijdel.”

“Dat zou ik wel denken, Harry. Maar volgens jouw indeling ben ik dan niet meer dan een kennis.”

“Mijn beste oude Basil, je bent veel meer dan een kennis.”

“En veel minder dan een vriend. Een soort broer, neem ik aan?”

“O, broers! Ik houd niet van broers. Mijn oudere broer wil maar niet doodgaan en mijn jongere broers schijnen nooit iets anders te doen.”

“Harry!” riep Hallward fronsend.

“Mijn beste vriend, ik ben niet helemaal serieus. Maar ik kan er niets aan doen dat ik mijn familie verafschuw. Ik vermoed dat het komt doordat geen van ons kan verdragen dat andere mensen dezelfde gebreken hebben als wijzelf. Ik heb alle begrip voor de woede van de Engelse democratie over wat zij de ondeugden van de hogere standen noemt. De massa vindt dat dronkenschap, domheid en zedeloosheid haar bijzondere eigendom horen te zijn, en dat iemand van ons die zich belachelijk maakt in haar jachtgebied stroopt. Toen die arme Southwark bij de echtscheidingsrechter belandde, was haar verontwaardiging werkelijk groots. En toch geloof ik niet dat tien procent van het proletariaat fatsoenlijk leeft.”

“Ik ben het met geen enkel woord van je eens, en wat meer is, Harry, ik ben ervan overtuigd dat jij het er ook niet mee eens bent.”

Lord Henry streek over zijn puntige bruine baard en tikte met een ebbenhouten wandelstok met kwastjes tegen de neus van zijn lakleren laars. “Wat ben jij Engels, Basil! Dat is de tweede keer dat je die opmerking maakt. Als je een echte Engelsman een denkbeeld voorlegt – altijd iets onbezonnens – komt het niet bij hem op zich af te vragen of dat denkbeeld juist of onjuist is. Het enige waaraan hij enig belang hecht, is of je er zelf in gelooft. Nu heeft de waarde van een denkbeeld volstrekt niets te maken met de oprechtheid van de man die het uitspreekt. Sterker nog, naar alle waarschijnlijkheid zal het denkbeeld een zuiverder intellectueel karakter hebben naarmate de man onoprechter is, want in dat geval wordt het niet gekleurd door zijn behoeften, zijn verlangens of zijn vooroordelen. Maar ik ben niet van plan met jou over politiek, sociologie of metafysica te discussiëren. Ik houd meer van mensen dan van beginselen, en van mensen zonder beginselen houd ik meer dan van wat ook ter wereld. Vertel me meer over meneer Dorian Gray. Hoe vaak zie je hem?”

“Elke dag. Ik zou niet gelukkig kunnen zijn als ik hem niet elke dag zag. Hij is volstrekt onmisbaar voor me.”

“Wat merkwaardig! Ik dacht dat je nooit om iets anders zou geven dan om je kunst.”

“Voor mij is hij nu heel mijn kunst,” zei de schilder ernstig. “Ik denk weleens, Harry, dat er in de wereldgeschiedenis maar twee tijdperken van enig belang zijn. Het eerste is de verschijning van een nieuw medium voor de kunst, het tweede die van een nieuwe persoonlijkheid, eveneens voor de kunst. Wat de uitvinding van het schilderen met olieverf voor de Venetianen was, was het gelaat van Antinoüs voor de laat-Griekse beeldhouwkunst, en zal het gelaat van Dorian Gray ooit voor mij zijn. Het gaat er niet alleen om dat ik hem schilder, teken en schets. Dat heb ik natuurlijk allemaal gedaan. Maar hij is veel meer voor me dan een model of een geportretteerde. Ik zal je niet vertellen dat ik ontevreden ben over wat ik van hem heb gemaakt, of dat zijn schoonheid van dien aard is dat de kunst haar niet kan uitdrukken. Er is niets wat de kunst niet kan uitdrukken, en ik weet dat het werk dat ik heb gemaakt sinds ik Dorian Gray ontmoette, goed werk is, het beste werk van mijn leven. Maar op een wonderlijke manier – ik vraag me af: zul je me begrijpen? – heeft zijn persoonlijkheid me een volkomen nieuwe manier van werken in de kunst ingegeven, een volkomen nieuwe stijl. Ik zie de dingen anders, ik denk er anders over. Ik kan het leven nu herscheppen op een manier die vroeger voor mij verborgen bleef. ‘Een droom van vorm in dagen van denken’ – wie zegt dat ook weer? Ik weet het niet meer; maar dat is wat Dorian Gray voor mij is geweest. Alleen al de zichtbare aanwezigheid van die knaap – want hij lijkt me nauwelijks meer dan een knaap, hoewel hij in werkelijkheid de twintig al voorbij is – alleen al zijn zichtbare aanwezigheid – ach! Ik vraag me af of je kunt beseffen wat dat allemaal betekent. Onbewust tekent hij voor mij de contouren van een nieuwe school, een school die alle hartstocht van de romantische geest in zich zal dragen, alle volmaaktheid van de Griekse geest. De harmonie van ziel en lichaam – wat ligt daar veel in besloten! We hebben die twee in onze waanzin gescheiden en een vulgair realisme uitgevonden, een lege idealiteit. Harry! Als je eens wist wat Dorian Gray voor mij is! Je herinnert je toch dat landschap van me, waarvoor Agnew me zo’n enorm hoge prijs bood, maar waarvan ik geen afstand wilde doen? Het is een van de beste dingen die ik ooit heb gemaakt. En waarom? Omdat Dorian Gray naast me zat toen ik het schilderde. Een subtiele invloed ging van hem op mij over, en voor het eerst in mijn leven zag ik in het gewone bos het wonder dat ik altijd had gezocht en altijd had gemist.”

“Basil, dit is buitengewoon! Ik moet Dorian Gray zien.”

Hallward stond op van de bank en liep heen en weer door de tuin. Na enige tijd kwam hij terug. “Harry,” zei hij, “Dorian Gray is voor mij eenvoudigweg een motief in de kunst. Misschien zie jij niets in hem. Ik zie alles in hem. Hij is nooit zo aanwezig in mijn werk als wanneer er geen beeltenis van hem in voorkomt. Hij is, zoals ik al zei, een inspiratiebron voor een nieuwe manier van werken. Ik vind hem terug in de welvingen van bepaalde lijnen, in de schoonheid en de nuances van bepaalde kleuren. Dat is alles.”

“Waarom wil je zijn portret dan niet tentoonstellen?” vroeg lord Henry.

“Omdat ik er, zonder het te bedoelen, iets van al die wonderlijke artistieke verafgoding in heb uitgedrukt, waarover ik natuurlijk nooit met hem heb willen spreken. Hij weet er niets van. Hij zal er nooit iets van te weten komen. Maar de wereld zou het kunnen raden, en ik wil mijn ziel niet blootleggen voor haar oppervlakkige, onbescheiden ogen. Mijn hart zal nooit onder haar microscoop worden gelegd. Er zit te veel van mezelf in dat ding, Harry – te veel van mezelf!”

“Dichters zijn niet zo gewetensvol als jij. Zij weten hoe nuttig hartstocht is als je publiceert. Tegenwoordig beleeft een gebroken hart heel wat drukken.”

“Daarom haat ik ze,” riep Hallward. “Een kunstenaar moet mooie dingen scheppen, maar mag er niets van zijn eigen leven in leggen. We leven in een tijd waarin men de kunst behandelt alsof die bedoeld is als een vorm van autobiografie. We hebben het abstracte gevoel voor schoonheid verloren. Eens zal ik de wereld laten zien wat dat is; en om die reden zal de wereld mijn portret van Dorian Gray nooit te zien krijgen.”

“Ik denk dat je ongelijk hebt, Basil, maar ik zal er niet met je over discussiëren. Alleen wie intellectueel het spoor bijster is, gaat in discussie. Vertel eens, is Dorian Gray erg op je gesteld?”

De schilder dacht enkele ogenblikken na. “Hij vindt me aardig,” antwoordde hij na een stilte; “ik weet dat hij me aardig vindt. Natuurlijk vlei ik hem vreselijk. Ik schep er een vreemd genoegen in hem dingen te zeggen waarvan ik weet dat ik er later spijt van zal krijgen. Meestal is hij charmant tegen me en zitten we in het atelier over duizend dingen te praten. Af en toe is hij echter vreselijk onnadenkend en lijkt hij er werkelijk plezier in te scheppen me pijn te doen. Dan heb ik het gevoel, Harry, dat ik mijn hele ziel heb weggegeven aan iemand die haar behandelt als een bloem om in zijn jas te steken, een stukje opsmuk om zijn ijdelheid te strelen, een sieraad voor een zomerdag.”

“Zomerdagen, Basil, willen nog weleens lang duren,” mompelde lord Henry. “Misschien krijg jij eerder genoeg van hem dan hij van jou. Het is een treurige gedachte, maar het staat vast dat genialiteit langer standhoudt dan schoonheid. Dat verklaart waarom we allemaal zo ons best doen om meer te leren dan nodig is. In de wilde strijd om het bestaan willen we iets hebben wat blijvend is, en dus vullen we ons hoofd met rommel en feiten, in de dwaze hoop onze plaats te behouden. De man die van alles uitstekend op de hoogte is – dat is het moderne ideaal. En het hoofd van de man die van alles uitstekend op de hoogte is, is iets verschrikkelijks. Het lijkt op een bric-a-bracwinkel, een en al gedrochten en stof, waar alles hoger geprijsd is dan het waard is. Toch denk ik dat jij het eerst genoeg van hem zult krijgen. Op een dag zul je naar je vriend kijken en zal hij je niet helemaal goed getekend lijken, of zijn kleurtoon zal je niet aanstaan, of zoiets. In je hart zul je hem bittere verwijten maken en in alle ernst denken dat hij zich heel slecht tegenover je heeft gedragen. Als hij je de volgende keer bezoekt, zul je volkomen koel en onverschillig zijn. Het zal heel jammer zijn, want het zal je veranderen. Wat je me hebt verteld is een hele romance, een artistieke romance zou je het kunnen noemen, en het ergste van een romance, van welke aard ook, is dat ze je zo onromantisch achterlaat.”

“Harry, praat zo niet. Zolang ik leef, zal de persoonlijkheid van Dorian Gray mij beheersen. Jij kunt niet voelen wat ik voel. Je verandert te vaak.”

“Ach, mijn beste Basil, juist daarom kan ik het voelen. Wie trouw is kent alleen de banale kant van de liefde: het zijn de ontrouwen die de tragedies van de liefde kennen.” En lord Henry streek een lucifer af aan een sierlijk zilveren doosje en begon een sigaret te roken met een zelfbewuste, voldane uitdrukking, alsof hij de wereld in één zin had samengevat. Tussen de groen gelakte bladeren van de klimop ritselden tjilpende mussen, en de blauwe wolkenschaduwen joegen elkaar als zwaluwen over het gras achterna. Wat was het aangenaam in de tuin! En wat waren de gevoelens van anderen verrukkelijk! – zoveel verrukkelijker dan hun denkbeelden, vond hij. Je eigen ziel en de hartstochten van je vrienden – dat waren de boeiende dingen in het leven. Met stil vermaak stelde hij zich de saaie lunch voor die hij was misgelopen doordat hij zo lang bij Basil Hallward was gebleven. Als hij naar zijn tante was gegaan, had hij daar stellig lord Goodbody getroffen en zou het hele gesprek over de voeding van de armen en de noodzaak van modellogementen zijn gegaan. Elke stand zou het belang hebben gepredikt van deugden die men in het eigen leven niet hoefde te beoefenen. De rijken zouden hebben gesproken over de waarde van zuinigheid, en de lediggangers zouden welsprekend zijn geworden over de waardigheid van de arbeid. Wat heerlijk dat hij aan dat alles was ontkomen! Toen hij aan zijn tante dacht, scheen hem iets in te vallen. Hij wendde zich tot Hallward en zei: “Mijn beste vriend, er schiet me net iets te binnen.”

“Wat schiet je te binnen, Harry?”

“Waar ik de naam Dorian Gray heb gehoord.”

“Waar was dat?” vroeg Hallward, licht fronsend.

“Kijk niet zo boos, Basil. Het was bij mijn tante, lady Agatha. Ze vertelde me dat ze een voortreffelijke jongeman had ontdekt die haar in de East End zou helpen, en dat hij Dorian Gray heette. Ik moet erbij zeggen dat ze me nooit heeft verteld dat hij knap was. Vrouwen weten een knap uiterlijk niet te waarderen; althans, deugdzame vrouwen niet. Ze zei dat hij heel serieus was en een mooie inborst had. Ik zag meteen een wezen voor me met een bril en sluik haar, vreselijk besproet en op reusachtige voeten rondstampend. Had ik maar geweten dat het jouw vriend was.”

“Ik ben heel blij dat je het niet wist, Harry.”

“Waarom?”

“Ik wil niet dat je hem ontmoet.”

“Je wilt niet dat ik hem ontmoet?”

“Nee.”

“Meneer Dorian Gray is in het atelier, meneer,” zei de butler, die de tuin in kwam.

“Nu moet je me wel aan hem voorstellen,” riep lord Henry lachend.

De schilder wendde zich tot zijn bediende, die in het zonlicht stond te knipperen. “Vraag meneer Gray even te wachten, Parker: ik kom over een paar ogenblikken binnen.” De man boog en liep het tuinpad op.

Toen keek de schilder lord Henry aan. “Dorian Gray is mijn dierbaarste vriend,” zei hij. “Hij heeft een eenvoudige en mooie inborst. Je tante had volkomen gelijk met wat ze over hem zei. Bederf hem niet. Probeer hem niet te beïnvloeden. Je zou een slechte invloed op hem hebben. De wereld is groot en er zijn veel wonderbaarlijke mensen. Neem me niet die ene mens af aan wie mijn kunst dankt wat ze aan bekoring bezit: mijn leven als kunstenaar hangt van hem af. Denk erom, Harry, ik vertrouw je.” Hij sprak heel langzaam, en de woorden leken hem bijna tegen zijn wil te worden ontwrongen.

“Wat praat je toch een onzin!” zei lord Henry glimlachend, en hij nam Hallward bij de arm en leidde hem haast het huis in.


Cookie- en privacyvoorkeuren

Je hebt controle over je gegevens

Lees meer over de cookies die we gebruiken en kies welke cookies je wilt toestaan.

  • Deze cookies zijn nodig om de website goed te laten werken, bijvoorbeeld om in te loggen en artikelen aan je winkelwagen toe te voegen.

  • Deze cookies slaan informatie op over je activiteiten om je volgende bezoek aan de website te personaliseren.

  • Wij en onze partners, waaronder Shopify, gebruiken deze cookies om marketingcommunicatie te optimaliseren en je advertenties op andere websites te tonen.

  • Deze cookies helpen ons te begrijpen hoe je de website gebruikt. We gebruiken deze gegevens om te bepalen wat we kunnen verbeteren.