De roep van de wildernis
Jack London
Hoofdstuk 1: Terug naar het oerbestaan
Buck las geen kranten, anders had hij geweten dat er onheil dreigde, niet alleen voor hemzelf, maar voor elke hond aan de kust, met sterke spieren en een warme, lange vacht, van Puget Sound tot San Diego. Omdat mannen, tastend in de poolduisternis, een geel metaal hadden gevonden, en omdat stoomvaart- en vervoersmaatschappijen die vondst luid aanprezen, stroomden duizenden mannen het noorden binnen. Die mannen wilden honden, en de honden die ze wilden waren zware honden, met sterke spieren om mee te zwoegen en een ruige vacht die hen tegen de vorst beschermde.
Buck woonde bij een groot huis in de zonovergoten Santa Clara-vallei. Het landgoed van rechter Miller, zo heette het. Het lag een eind van de weg, half verscholen tussen de bomen, waardoorheen hier en daar de brede, koele veranda te zien was die langs alle vier de zijden liep. Grindlanen voerden naar het huis, kronkelend tussen uitgestrekte gazons en onder de ineengevlochten takken van hoge populieren. Achter het huis was alles nog ruimer opgezet dan aan de voorkant. Er waren grote stallen, waar een dozijn stalknechten en jongens in de weer was, rijen met klimplanten begroeide bediendenhuisjes, een eindeloze, ordelijk gerangschikte reeks bijgebouwen, lange druivenpriëlen, groene weiden, boomgaarden en percelen bessenstruiken. Dan waren er nog de pompinstallatie voor de artesische put en het grote cementen bassin waar de jongens van rechter Miller ’s morgens een duik namen en op hete middagen verkoeling vonden.
En over dit uitgestrekte domein heerste Buck. Hier was hij geboren, en hier had hij de vier jaren van zijn leven doorgebracht. Er waren weliswaar andere honden. Het kon niet anders of op zo’n groot landgoed waren nog meer honden, maar ze telden niet mee. Ze kwamen en gingen, woonden in de dichtbevolkte kennels of leidden een onopvallend bestaan in de uithoeken van het huis, zoals Toots, de Japanse mopshond, of Ysabel, de Mexicaanse naakthond – vreemde wezens die zelden hun neus buiten de deur staken of een poot op de grond zetten. Daartegenover stonden de foxterriërs, minstens twintig, die Toots en Ysabel angstaanjagende beloften toekeften, terwijl die vanuit de ramen op hen neerkeken, beschermd door een legioen dienstmeiden gewapend met bezems en dweilen.
Maar Buck was geen huishond en geen kennelhond. Het hele rijk behoorde hem toe. Hij dook in het zwembassin of ging op jacht met de zonen van de rechter; hij vergezelde Mollie en Alice, de dochters van de rechter, op lange wandelingen in de schemering of de vroege ochtend; op winteravonden lag hij aan de voeten van de rechter voor het hoog oplaaiende haardvuur in de bibliotheek; hij droeg de kleinzonen van de rechter op zijn rug of rolde ze door het gras, en waakte over hen bij elke stap van hun wilde avonturentochten naar de fontein op het stalplein, en zelfs nog verder, waar de omheinde weiden en de bessenpercelen lagen. Gebiedend schreed hij tussen de terriërs door, en Toots en Ysabel negeerde hij volkomen, want hij was koning – koning over alles wat kroop, krioelde en vloog op het landgoed van rechter Miller, de mensen inbegrepen.
Zijn vader, Elmo, een reusachtige sint-bernardshond, was de onafscheidelijke metgezel van de rechter geweest, en het zag ernaar uit dat Buck in de voetsporen van zijn vader zou treden. Hij was niet zo groot – hij woog maar honderdveertig pond – want zijn moeder, Shep, was een Schotse herdershond geweest. Toch kon hij zich dankzij die honderdveertig pond en de waardigheid die een goed leven en ieders achting verlenen, waarlijk koninklijk gedragen. In de vier jaar sinds zijn puppytijd had hij het leven van een verzadigde aristocraat geleid; hij had een fier gevoel van eigenwaarde en was zelfs een tikje zelfingenomen, zoals landheren dat soms worden door hun afgezonderde bestaan. Maar hij had zich weten te redden door geen louter vertroetelde huishond te worden. Jagen en soortgelijke genoegens in de openlucht hadden het vet op afstand gehouden en zijn spieren gehard; en net als bij de volken die koudwaterbaden nemen, had de liefde voor water hem gesterkt en gezond gehouden.
Zo’n hond was Buck in de herfst van 1897, toen de goudvondst aan de Klondike mannen uit de hele wereld naar het bevroren noorden dreef. Maar Buck las geen kranten en wist niet dat Manuel, een van de tuinmanshulpen, een kennis was die men beter kon mijden. Manuel had één hardnekkige zonde. Hij was verzot op de Chinese loterij. Ook had hij bij het gokken één hardnekkige zwakheid – geloof in een systeem; en dat bezegelde zijn ondergang. Want wie volgens een systeem wil spelen, heeft geld nodig, terwijl van het loon van een tuinmanshulp niets overblijft als een vrouw en een talrijk kroost ervan moeten leven.
Op de gedenkwaardige avond van Manuels verraad was de rechter op een vergadering van de Vereniging van Rozijnentelers en waren de jongens druk bezig een sportclub op te richten. Niemand zag hem met Buck door de boomgaard vertrekken voor wat Buck voor niet meer dan een wandeling hield. En op één man na zag niemand hen aankomen bij de kleine halte College Park, waar de trein alleen op verzoek stopte. Deze man sprak met Manuel, en tussen hen rinkelden munten.
“Je kunt de koopwaar wel inpakken voor je hem aflevert,” zei de vreemdeling nors, en Manuel sloeg een stuk stevig touw dubbel om Bucks hals, onder de halsband.
“Draai het aan, dan knijp je hem de keel goed dicht,” zei Manuel, en de vreemdeling knorde meteen instemmend.
Buck had het touw met rustige waardigheid aanvaard. Het was weliswaar een ongewone handeling, maar hij had geleerd de mensen die hij kende te vertrouwen en hun een wijsheid toe te schrijven die de zijne te boven ging. Maar toen de uiteinden van het touw in de handen van de vreemdeling werden gelegd, gromde hij dreigend. Hij had slechts zijn ongenoegen laten blijken, in zijn trots overtuigd dat iets laten blijken gelijkstond aan een bevel geven. Maar tot zijn verbazing trok het touw zich strak om zijn hals en sneed hem de adem af. In plotselinge woede sprong hij op de man af, die hem halverwege opving, hem bij de keel vastgreep en hem met een behendige draai op zijn rug wierp. Toen werd het touw meedogenloos aangetrokken, terwijl Buck razend tegenspartelde, zijn tong uit zijn bek hing en zijn machtige borstkas vergeefs naar adem hijgde. Nog nooit in zijn leven was hij zo schandelijk behandeld, en nog nooit in zijn leven was hij zo woedend geweest. Maar zijn kracht vloeide weg, zijn ogen werden glazig, en hij wist van niets toen men de trein met een vlag tot stilstand bracht en de twee mannen hem in de bagagewagen gooiden.
Toen hij weer bijkwam, besefte hij vaag dat zijn tong pijn deed en dat hij in een of ander vervoermiddel werd voortgehotst. Het hese krijsen van een locomotief die bij een overweg floot, vertelde hem waar hij was. Hij had te vaak met de rechter gereisd om niet te weten hoe het voelde om in een bagagewagen te rijden. Hij opende zijn ogen, waarin de onbeteugelde woede van een ontvoerde koning opvlamde. De man schoot naar zijn keel, maar Buck was hem te vlug af. Zijn kaken sloten zich om de hand en lieten pas los toen hij opnieuw bewusteloos was gewurgd.
“Ja, hij heeft toevallen,” zei de man, terwijl hij zijn verminkte hand verborgen hield voor de bagagebeambte, die op het geluid van de worsteling was afgekomen. “Ik breng ’m voor de baas naar ’Frisco. Daar zit een eersteklas hondenarts die denkt dat hij ’m kan genezen.”
Over die nachtelijke rit sprak de man hoogst welsprekend te zijner verdediging, in een schuurtje achter een saloon aan de waterkant van San Francisco.
“Ik krijg er maar vijftig voor,” mopperde hij, “en voor duizend in klinkende munt zou ik het niet nog eens doen.”
Zijn hand was in een bebloede zakdoek gewikkeld en zijn rechterbroekspijp was van de knie tot de enkel opengescheurd.
“Hoeveel kreeg die andere vent?” wilde de saloonhouder weten.
“Honderd,” luidde het antwoord. “Wou geen sou minder hebben, ik zweer het je.”
“Dat maakt honderdvijftig,” rekende de saloonhouder uit, “en dat is hij waard, of ik ben een stomkop.”
De ontvoerder maakte de bebloede zwachtels los en bekeek zijn opengereten hand. “Als ik hier geen hondsdolheid van krijg –”
“Dan is dat omdat je voor de galg geboren bent,” lachte de saloonhouder. “Kom, steek even een handje toe voor je je biezen pakt,” voegde hij eraan toe.
Versuft, met ondraaglijke pijn in keel en tong en half gewurgd, probeerde Buck zijn kwelgeesten het hoofd te bieden. Maar telkens werd hij tegen de grond geworpen en gewurgd, tot ze erin slaagden de zware halsband van messing door te vijlen en van zijn hals te halen. Daarna werd het touw verwijderd en werd hij in een krat gesmeten die op een kooi leek.
Daar bleef hij de rest van die afmattende nacht liggen, zijn woede en gekrenkte trots koesterend. Hij begreep niet wat dit allemaal te betekenen had. Wat wilden ze van hem, die vreemde mannen? Waarom hielden ze hem opgesloten in die nauwe krat? Hij wist niet waarom, maar hij ging gebukt onder een vaag gevoel van naderend onheil. Die nacht sprong hij verscheidene keren overeind als de deur van het schuurtje rammelend openging, in de verwachting de rechter te zien, of op zijn minst de jongens. Maar telkens was het het bolle gezicht van de saloonhouder dat bij het vale licht van een vetkaars naar hem gluurde. En telkens sloeg de blijde blaf die in Bucks keel trilde om in een woeste grom.
Maar de saloonhouder liet hem met rust, en ’s ochtends kwamen vier mannen binnen die de krat optilden. Nog meer kwelgeesten, besloot Buck, want het waren ongure lieden, haveloos en onverzorgd; en hij ging vanachter de tralies razend tegen hen tekeer. Ze lachten alleen maar en porden hem met stokken, waarop hij meteen zijn tanden in die stokken zette, tot hij besefte dat dit precies was wat ze wilden. Daarop ging hij mokkend liggen en liet toe dat de krat op een wagen werd getild. Daarna begon voor hem en de krat waarin hij gevangenzat een tocht van hand tot hand. Klerken op het kantoor van de expresdienst namen hem over; hij werd op een andere wagen rondgereden; een handkar bracht hem, samen met allerlei kisten en pakketten, aan boord van een stoomveerboot; met een handkar werd hij van de boot af naar een groot spoorwegstation gebracht, en ten slotte belandde hij in een wagon van de expresdienst.
Twee dagen en nachten lang werd die wagon voortgesleept achter krijsende locomotieven; en twee dagen en nachten lang at noch dronk Buck. In zijn woede had hij de eerste toenaderingspogingen van de beambten van de expresdienst met gegrom beantwoord, en als vergelding hadden ze hem geplaagd. Als hij zich trillend en schuimbekkend tegen de tralies wierp, lachten ze hem uit en sarden hem. Ze gromden en blaften als verfoeilijke honden, miauwden, klapwiekten met hun armen en kraaiden. Hij wist dat het allemaal erg dwaas was; maar juist daardoor krenkte het zijn waardigheid des te meer, en zijn woede groeide en groeide. De honger deerde hem niet zo erg, maar het gebrek aan water deed hem hevig lijden en joeg zijn woede tot koortshoogte op. Nerveus en fijngevoelig als hij was, had hij van de mishandeling trouwens koorts gekregen, die werd gevoed door de ontsteking van zijn uitgedroogde, gezwollen keel en tong.
Over één ding was hij blij: het touw was van zijn hals af. Daarmee hadden ze een oneerlijk voordeel gehad; maar nu het weg was, zou hij het hun wel eens laten zien. Nooit zouden ze hem nog een touw om zijn hals krijgen. Dat had hij zich vast voorgenomen. Twee dagen en nachten lang at noch dronk hij, en in die twee dagen en nachten van kwelling hoopte zich in hem een woede op die weinig goeds voorspelde voor wie het als eerste met hem aan de stok zou krijgen. Zijn ogen raakten met bloed doorlopen en hij veranderde in een razende duivel. Zozeer was hij veranderd dat de rechter zelf hem niet zou hebben herkend; en de beambten van de expresdienst haalden opgelucht adem toen ze hem in Seattle de trein uit werkten.
Vier mannen droegen de krat behoedzaam van de wagen naar een kleine achterplaats met hoge muren. Een gezette man in een rode trui met een wijd uitgezakte hals kwam naar buiten en zette zijn handtekening in het boek van de voerman. Dat was de man, begreep Buck, zijn volgende kwelgeest, en hij wierp zich woest tegen de tralies. De man glimlachte grimmig en haalde een bijltje en een knuppel.
“Je haalt hem er nu toch niet uit?” vroeg de voerman.
“Jawel,” antwoordde de man, terwijl hij het bijltje in de krat sloeg om die open te wrikken.
De vier mannen die de krat hadden binnengedragen, stoven op slag uiteen, en vanaf hun veilige zitplaatsen boven op de muur maakten ze zich op om het schouwspel gade te slaan.
Buck stortte zich op het splinterende hout, zette er zijn tanden in en rukte en worstelde ermee. Waar het bijltje aan de buitenkant ook neerkwam, daar was hij aan de binnenkant, snauwend en grommend, even verwoed erop gebrand eruit te komen als de man in de rode trui kalm vastbesloten was hem eruit te krijgen.
“Zo, jij duivel met rode ogen,” zei hij toen hij een opening had gemaakt die groot genoeg was om Bucks lijf door te laten. Tegelijk liet hij het bijltje vallen en nam de knuppel in zijn rechterhand.
En Buck was werkelijk een duivel met rode ogen toen hij zich samenbalde voor de sprong, met overeind staande haren, schuim om zijn bek en een waanzinnige glans in zijn bloeddoorlopen ogen. Recht op de man af wierp hij zijn honderdveertig pond razernij, barstensvol van de opgekropte drift van twee dagen en nachten. Midden in de sprong, juist toen zijn kaken zich om de man zouden sluiten, kreeg hij een schok die zijn lijf stuitte en zijn tanden met een ondraaglijk pijnlijke klap op elkaar deed slaan. Hij tuimelde om en sloeg met rug en zij tegen de grond. Nog nooit in zijn leven was hij met een knuppel geslagen, en hij begreep het niet. Met een grauw die deels een blaf maar vooral een schreeuw was, stond hij alweer op zijn poten en sprong hij opnieuw de lucht in. En weer kwam die schok en werd hij met verpletterende kracht tegen de grond geslagen. Ditmaal besefte hij dat het de knuppel was, maar zijn razernij kende geen voorzichtigheid. Een dozijn keer viel hij aan, en even vaak stuitte de knuppel zijn aanval en sloeg hem tegen de grond.
Na een bijzonder harde slag krabbelde hij overeind, te versuft om aan te vallen. Hij wankelde op slappe poten rond, terwijl het bloed uit zijn neus, bek en oren stroomde en zijn mooie vacht bespat en bespikkeld was met bloederig kwijl. Toen kwam de man op hem af en gaf hem welbewust een verschrikkelijke slag op zijn neus. Alle pijn die hij had doorstaan viel in het niet bij deze folterende pijn. Met een gebrul dat in zijn woestheid bijna dat van een leeuw evenaarde, wierp hij zich opnieuw op de man. Maar de man bracht de knuppel van zijn rechter- naar zijn linkerhand en greep hem koelbloedig bij de onderkaak, die hij tegelijk omlaag en naar achteren rukte. Buck maakte een volle cirkel in de lucht en nog een halve, en sloeg toen met kop en borst tegen de grond.
Voor de laatste keer viel hij aan. De man gaf hem de geduchte slag die hij met opzet zo lang had achtergehouden, en Buck zakte in elkaar en viel neer, volkomen bewusteloos geslagen.
“Die kan wel honden temmen, dat zeg ik je,” riep een van de mannen op de muur enthousiast.
“Ik tem nog liever indianenpony’s, elke dag van de week en ’s zondags twee keer,” antwoordde de voerman terwijl hij op de wagen klom en de paarden in beweging zette.
Buck kwam weer bij bewustzijn, maar zijn kracht keerde niet terug. Hij bleef liggen waar hij gevallen was en keek vandaar naar de man in de rode trui.
“‘Luistert naar de naam Buck’,” zei de man bij zichzelf, de brief van de saloonhouder aanhalend waarin de verzending van de krat met inhoud was aangekondigd. “Nou, Buck, m’n jongen,” vervolgde hij op gemoedelijke toon, “we hebben ons opstootje gehad, en het beste wat we kunnen doen is het daarbij laten. Jij hebt je plaats leren kennen en ik ken de mijne. Wees een brave hond, dan gaat alles goed en gaat het ons voor de wind. Ben je stout, dan sla ik je bont en blauw. Begrepen?”
Terwijl hij sprak, gaf hij onbevreesd klopjes op de kop die hij zo meedogenloos had gebeukt, en hoewel Bucks haren bij de aanraking van die hand onwillekeurig overeind gingen staan, verdroeg hij het zonder verzet. Toen de man hem water bracht, dronk hij gretig, en later schrokte hij een flinke maaltijd van rauw vlees naar binnen, brok na brok, uit de hand van de man.
Hij was verslagen (dat wist hij), maar niet gebroken. Hij zag eens en voorgoed in dat hij tegen een man met een knuppel geen schijn van kans had. Hij had de les geleerd en vergat die zijn verdere leven niet meer. Die knuppel was een openbaring. Zo maakte hij kennis met de heerschappij van de oerwet, en hij was bereid die te aanvaarden. De werkelijkheid kreeg een grimmiger gezicht; en hoewel hij dat gezicht onverschrokken tegemoet trad, deed hij dat met alle sluwheid die in zijn aard had gesluimerd en nu was ontwaakt. Met het verstrijken van de dagen kwamen er andere honden, in kratten en aan touwen, sommige gedwee, andere razend en brullend zoals hij gekomen was; en hij zag hoe ze stuk voor stuk onder de heerschappij van de man in de rode trui kwamen. Keer op keer werd Buck bij het aanzien van elk wreed schouwspel de les ingeprent: een man met een knuppel was een wetgever, een meester die men moest gehoorzamen, maar bij wie men niet per se in het gevlei hoefde te komen. Aan dat laatste maakte Buck zich nooit schuldig, al zag hij wel afgeranselde honden die voor de man kropen, kwispelstaartten en zijn hand likten. Hij zag ook hoe één hond, die noch in het gevlei wilde komen noch wilde gehoorzamen, ten slotte in de strijd om de heerschappij werd gedood.
Af en toe kwamen er mannen, vreemden, die opgewonden, vleiend en op allerlei andere manieren met de man in de rode trui praatten. En als er dan geld tussen hen van hand wisselde, namen de vreemdelingen een of meer honden mee. Buck vroeg zich af waar ze heen gingen, want ze kwamen nooit terug; maar zijn angst voor de toekomst was groot en hij was telkens blij als hij niet werd uitgekozen.
Toch kwam zijn beurt uiteindelijk, in de gedaante van een kleine, verschrompelde man die gebroken Engels uitspuwde en tal van vreemde, ruwe uitroepen die Buck niet kon verstaan.
“Sacredam!” riep hij toen zijn blik op Buck viel. “Dat een verdomd goeie hond! Hè? Hoeveel?”
“Driehonderd, en dan is het nog een cadeautje,” antwoordde de man in de rode trui meteen. “En omdat het overheidsgeld is, heb je niets te klagen, hè, Perrault?”
Perrault grijnsde. Aangezien de ongekende vraag de hondenprijzen de hoogte in had gejaagd, was het voor zo’n fraai dier geen onredelijk bedrag. De Canadese regering zou er niets op verliezen, en haar depêches zouden er evenmin langzamer door worden bezorgd. Perrault had verstand van honden, en toen hij Buck bekeek, wist hij dat hij er één uit duizend was – “Eén uit tienduizend,” merkte hij in gedachten op.
Buck zag dat er geld van hand wisselde en was niet verbaasd toen Curly, een goedmoedige newfoundlander, en hij door de kleine, verschrompelde man werden meegenomen. Het was de laatste keer dat hij de man in de rode trui zag, en toen Curly en hij vanaf het dek van de Narwhal naar Seattle keken, dat steeds verder achter hen kwam te liggen, was het ook de laatste keer dat hij het warme zuiden zag. Curly en hij werden door Perrault naar beneden gebracht en overgedragen aan een reus met een zwart gezicht die François heette. Perrault was een Frans-Canadees, donker van huid; maar François was een Frans-Canadese halfbloed en tweemaal zo donker. Voor Buck waren het mensen van een nieuwe soort (waarvan hij er nog velen zou zien), en hoewel hij geen genegenheid voor hen opvatte, kreeg hij toch oprechte achting voor hen. Hij leerde al snel dat Perrault en François rechtvaardige mannen waren, kalm en onpartijdig wanneer ze recht spraken, en te veel van honden afwisten om zich door honden te laten bedotten.
Op het tussendek van de Narwhal kwamen Buck en Curly bij twee andere honden. Een van hen was een grote, sneeuwwitte kerel uit Spitsbergen, die door een kapitein van een walvisvaarder was meegenomen en later een geologische expeditie naar de toendravlakten had vergezeld. Hij was vriendelijk, maar op een verraderlijke manier: hij glimlachte je toe terwijl hij een achterbakse streek beraamde, zoals toen hij bij de eerste maaltijd van Bucks eten stal. Toen Buck opsprong om hem te straffen, zong de zweep van François door de lucht en trof de boosdoener nog voordat Buck erbij kon; voor Buck bleef er niets anders over dan het bot terug te halen. Dat was eerlijk van François, besloot hij, en daarmee begon de halfbloed in Bucks achting te stijgen.
De andere hond zocht geen toenadering en niemand zocht toenadering tot hem; hij probeerde ook niet van de nieuwkomers te stelen. Het was een sombere, norse kerel, en hij liet Curly duidelijk merken dat hij alleen maar met rust gelaten wilde worden, en bovendien dat er moeilijkheden zouden komen als hij niet met rust werd gelaten. “Dave” heette hij, en hij at en sliep, of gaapte tussendoor, en had nergens belangstelling voor, zelfs niet toen de Narwhal de Queen Charlotte Sound overstak en slingerde, stampte en bokte als een bezetene. Toen Buck en Curly opgewonden raakten, half gek van angst, hief hij zijn kop op alsof hij geërgerd was, schonk hun een ongeïnteresseerde blik, gaapte en ging weer slapen.
Dag en nacht dreunde het schip op de onvermoeibare polsslag van de schroef, en hoewel de ene dag sterk op de andere leek, merkte Buck dat het weer gestadig kouder werd. Eindelijk, op een ochtend, zweeg de schroef en hing er op de Narwhal een sfeer van opwinding. Hij voelde het, net als de andere honden, en wist dat er een verandering op komst was. François lijnde ze aan en bracht ze aan dek. Bij zijn eerste stap op het koude dek zakten Bucks poten weg in iets wits en papperigs dat sterk op modder leek. Met een gesnuif sprong hij terug. Er viel meer van dat witte spul door de lucht. Hij schudde zich uit, maar er viel nog meer op hem. Hij besnuffelde het nieuwsgierig en likte er toen met zijn tong wat van op. Het beet als vuur en was het volgende ogenblik verdwenen. Dat bracht hem in verwarring. Hij probeerde het nog eens, met hetzelfde resultaat. De omstanders bulderden van het lachen en hij schaamde zich, hij wist niet waarom, want dit was zijn eerste sneeuw.




